All posts in Blog

Een bekend gezegde voor ondernemers met een BV luidt “Eén BV is géén BV!”. Waarom is dat en gaat de stelling altijd op?

Wat wordt bedoeld met het gezegde?

Je kunt het gezegde ook lezen als: “Als je gaat ondernemen vanuit één BV kun je net zo goed geen BV nemen als rechtsvorm”. Weer anders gezegd: “ondernemen vanuit één BV geeft je juist niet alle voordelen die je beoogt te halen met de BV als rechtsvorm”. Kennelijk heb je dus minimaal twee BV’s nodig. Hoe zit dat?

Functies van een BV

Drie van de belangrijkste redenen voor ondernemers om te kiezen voor de BV als rechtsvorm zijn de volgende:

  1. Scheiding tussen privé en zakelijk;
  2. Scheiding tussen bezit en risico;
  3. Onbelaste verkoopwinst bedrijf.

De jaarlijkse belastingdruk laat ik hier buiten beschouwing omdat dat geen rol speelt in het gezegde. Ook leest u nog wel eens ‘beperking van aansprakelijkheid’. Dat laatste is in mijn visie niet juist. Ga je de fout in als onderneming dan ben je daar aansprakelijk voor, ongeacht de rechtsvorm. Het gaat er bij een BV juist om dat je privé niet geraakt wordt voor zakelijke fouten en dus val je in dit verhaal terug op nummer 1 hiervoor.

Het gezegde gaat op voor punten 2 en 3. Onderneem je met één BV dan mis je de voordelen van punten 2 en 3. Als volgt:

Ad 1:

Een BV is een juridisch zelfstandige entiteit. Gaat er in de BV iets mis (schadeclaim, schulden blijven onbetaald) dan is de aansprakelijkheid in beginsel beperkt tot de BV zelf. Kan de BV niet betalen, dan houdt het doorgaans daarmee op, tenzij je als bestuurder van de BV je dermate gedragen hebt (of iets nagelaten hebt) waardoor die aansprakelijkheid alsnog naar privé verlegd kan worden. Denk daarbij aan handelen of nalaten waarvan je als bestuurder van de BV had moeten of kunnen weten dat de BV daardoor niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Duidelijke voorbeeld is het leegtrekken van een BV, al dan niet via dividend of rekeningcourant terwijl de overige schuldeisers niet betaald worden.

Door te ondernemen vanuit een BV breng je dus een scheiding aan tussen je privébezittingen (en eventueel die van je partner bij gezamenlijk eigendom) en je onderneming, mits je geen verkeerde beslissingen neemt en de BV netjes blijft voldoen aan haar verplichtingen. Dat werkt inderdaad ook met één BV.

Ad 2:

“Mooi, ik heb een BV. Privé en zakelijk zijn gescheiden, mij kan niets gebeuren!” Fout. Hier gaat het gezegde namelijk op. Je kunt jaren achtereen mooie winsten boeken in je ene BV. De zaak draait goed, het banksaldo is rustgevend en dan komt die ene claim binnen die al het werk van de laatste jaren in een klap van tafel veegt.

Door te werken met één BV heb je de winsten van de afgelopen jaren in dezelfde BV opgepot als waarin de risico’s van het ondernemen zelf schuilen. Je hebt de winsten dus in de risicosfeer van je activiteiten gehouden. Een schadeclaim vang je doorgaans op met goede algemene voorwaarden (met beperking van aansprakelijkheid) in combinatie met een degelijke verzekeringsoplossing voor aansprakelijkheid.

Maar niet zelden worden de algemene voorwaarden niet correct ter hand gesteld en van toepassing verklaard of accepteert de wederpartij jouw voorwaarden simpelweg niet en heb je van doen met de inkoopvoorwaarden van je klant. En als het dan misgaat, heb je dus geen steun voor beperking van je aansprakelijkheid.

Stel dat je ene BV een banksaldo heeft van 400k. En stel je een schadepost inclusief gevolgschade van 1 miljoen voor, terwijl je polis dekking biedt voor 500k. Wat gebeurt er dan? Dan is je ene BV met al haar opgepotte winsten ineens 400k lichter. Jaren voor niets gewerkt.

Ad 3:

Je hebt het 20 jaar overleefd met je ene BV en komt in contact met een koper. Hij stelt voor de aandelen van jouw ene BV te kopen voor 1 miljoen. Deal en kassa voor de fiscus: 250k afrekenen in box 2 IB en daarna jaarlijks box 3 afrekenen over de resterende 750k bezit. De aandelen in de ene BV waren immers in bezit van jou privé. Verkoop je ze, dan ontstaat een afrekenmoment in box 2.

Kom maar door met die tweede BV

Dus je kunt op dit moment concluderen dat een tweede BV een oplossing biedt voor punten 2 en 3. Dat klopt en wel door twee BV’s op te richten. De eerste BV noemen we Holding BV. De tweede BV noemen werkmaatschappij, kortweg werkmij. Samen wordt ook wel gesproken van een Holdingstructuur. Jij privé richt de Holding op en de Holding richt de werkmij op. Daarmee ontstaan de voordelen van 2 en 3.

Ad 2:

Nu heb je een extra scheiding aangebracht tussen de risico’s van het ondernemen (in de werkmij) en het oppotten van winsten (in de Holding). Dat realiseer je doorgaans door het volgende te doen:

Holding verhuurt jou als manager aan werkmij. Periodiek stuurt Holding werkmij daarvoor een factuur. Die kosten drukken de winst in werkmij en zorgen ervoor dat de winst in feite verplaatst wordt naar de Holding, want daar wordt het omzet.

Legaal? Jazeker, gewoon common practice. Fullproof? Mits je geen idioot hoge fees in rekening brengt waarmee je de werkmij in haar voortbestaan bedreigt, is dit prima mogelijk.

Als na al die mooie winstjaren een claim binnenkomt bij de wermij dan is het vermogen van de Holding in beginsel gevrijwaard. Let er wel op dat de werkmij geen vorderingen heeft op de Holding (die worden anders geïncasseerd) en uiteraard geldt ook hier het stuk over bestuurdersaansprakelijkheid.

Ad 3:

En als na X jaar die koper aanklopt en 1 miljoen biedt, dan sluit je lachend de deal, wetend dat een stukje wetgeving met de naam ‘deelnemingsvrijstelling’ dat mooie miljoen in eerste aanleg onbelast laat. Jouw Holding BV verkoopt nu de aandelen in de werkmij. Onder de deelnemingsvrijstelling ontvangt de Holding BV de koopsom onbelast. Dat heeft als voordeel dat je heffing over uitkeringen naar privé uitstelt totdat je zelf besluit om een uitkering van dividend te doen. Doe je geen dividenduitkeringen aan privé dan beschikt je Holding dus over 1 miljoen (vergelijk privé 750k bij één BV) om bijvoorbeeld opnieuw te investeren of uit te lenen aan je voor de koop van een woning (om maar een voorbeeld te noemen). Tot slot neemt je vermogen in box 3 door de verkoop niet toe, wat weer vermogensrendementsheffing scheelt.

Meer dan twee BV’s?

Soms is dat nuttig. Sowieso als er meerdere aandeelhouders zijn, aangezien elke aandeelhouder veelal zal kiezen voor een eigen Holding. Maar ook een aparte (tussen)holding voor bijvoorbeeld vastgoed of intellectuele eigendomsrechten (IP) kan nuttig zijn. Dergelijke waardevolle bezittingen zijn vaak het gezamenlijk eigendom bij meerdere aandeelhouders. Die aandeelhouders zullen deze bezittingen doorgaans niet in één van beide persoonlijke Holdings willen plaatsen en zeker niet in de werkmij. Om dat op te lossen wordt tussen de persoonlijke Holdings en de werkmij nog een BV geplaatst (vandaar tussenholding). De eigendom van die tussenholding ligt dan bij de persoonlijke Holdings. De tussenholding wordt op haar beurt weer eigenaar van de werkmij.

Winsten in de werkmij worden dan naar de tussenholding verplaatst door facturatie van huur (vastgoed) of licentievergoedingen (IP-rechten), op vergelijkbare wijze als managementfee.

Klopt de stelling dan altijd?

Nee. Er zijn situaties denkbaar waarin 1 BV volstaat. Denk maar aan een BV waarin geen winst achterblijft omdat de aandeelhouder het steevast opneemt als loon en/of dividend. Als in die BV de activiteiten ook geen aansprakelijkheidsrisico met zich meebrengen en de BV zal waarschijnlijk nooit verkocht worden (bijvoorbeeld BV met 1 werkzame persoon op uurtje-factuurtje basis), dan kan prima volstaan worden met één BV.

Tot slot

Dit artikel is bedoeld om de functie van een Holdingstructuur te duiden. Uiteraard staat elk dossier op zich en verschillen de details en dus ook de mogelijkheden. Het gaat te ver om hier alle opties te behandelen, maar ik hoop je hiermee een goed inzicht te hebben gegeven in het nut van een holdingstructuur en de nadelen van die ene BV.

De laatste jaren komt in mijn praktijk meer en meer de vraag binnen “Ik kan aandeelhouder worden in de BV van mijn werkgever. Waar moet ik op letten?” Deze blogpost geeft je een eerste inzicht in wat er allemaal komt kijken bij het verwerven van aandelen in de BV van je baas. Ik ga hierbij overigens uit van een onderneming in het MKB waarvan de aandelen in handen zijn van een of meerdere directeuren-grootaandeelhouders.

Waarom iemand aandeelhouder maken?

Voor menig werkgever is dit de laatste jaren de manier geworden om sleutelpersoneel te binden aan zijn/haar onderneming. Talenten en zwaargewichten in hun werkveld zijn gewild en zullen niet zelden benaderd worden door headhunters. Dus dan is een extra binding met je werkgever vaak een sterk argument. Maar wat zit er nu precies in voor jou als werknemer die aandelen verwerft? Laat ik daartoe eerst even je positie als (kleine) aandeelhouder schetsen.

Kleine aandeelhouder

Doorgaans zal aan een werknemer slechts een paar procent of soms 10 tot 15% van de aandelen aangeboden worden. Als je dat aanbod aanneemt, dan heb je:

  • Recht op dat percentage van het dividend;
  • Recht op dat percentage van de verkoopopbrengst van de BV;
  • Een stem in de aandeelhoudersvergadering die meeweegt voor dat percentage (voor zover het stemrecht op jouw aandelen uiteraard niet geblokkeerd of beperkt is, zie hierna).

Besef je dus goed dat jouw stem uitbrengen in de aandeelhoudersvergadering doorgaans weinig tot geen invloed heeft. Houdt dit in gedachten bij het lezen over dividend.

Soorten Aandelen

Zoals ik hiervoor opmerkte, kan het ook zijn dat de rechten die aan de aandelen kleven beperkt zijn of zelfs geheel uitgesloten zijn. Er zijn verschillende soorten aandelen. Alle soorten bespreken gaat het doel van deze blogpost voorbij, dus ik volsta met de meest relevante:

  • Gewone aandelen, dezelfde als de andere aandeelhouders, kennen geen beperkingen t.o.v. de andere aandeelhouders;
  • Stemrechtloze aandelen: je bent wel welkom bij de aandeelhoudersvergadering, maar je hebt geen stem. Jouw aandelen delen alleen in dividend en verkoopwinst.
  • Letteraandelen: series van aandelen zijn gemarkeerd met een letter. In de statuten van de BV worden aan de verschillende series letteraandelen verschillende rechten toegekend. Daardoor kunnen zeer specifieke rechten toegekend of ontnomen worden die je stemrecht kunnen beperken.
  • Certificaten van Aandelen: voor hier volsta ik ermee dat deze in de praktijk vergelijkbaar zijn met stemrechtloze aandelen.

So, what’s in it for me? Dividend en koerswinst aandelen

Het hebben van aandelen levert op zichzelf niets op. Pas als er winst (dividend) uitgekeerd wordt aan de aandeelhouders ontstaat rendement voor een aandeelhouder. Een andere mogelijkheid op winst op de aandelen ontstaat als de aandelen verkocht worden voor meer dan wat je ervoor betaald hebt. Mooi. Of toch niet?

Want dividend wordt alleen uitgekeerd als de Vergadering van Aandeelhouders daartoe besloten heeft. En zoals je hiervoor hebt gelezen, heb jij daar als kleine aandeelhouder vrijwel geen invloed op. Evenmin heb je doorslaggevende invloed op de verkoop van de BV en de verkoopprijs. Zijn dan aandelen verwerven in een BV van je baas een holle verbintenis?

Nee, mits. Mits je naast het verwerven van de aandelen ook afspraken maakt over dividend en eventueel een toekomstig verkoopscenario (exit). Enter de aandeelhoudersovereenkomst.

Aandeelhoudersovereenkomst

De aandeelhoudersovereenkomst is de zakelijke huwelijksakte tussen de aandeelhouders. Hierin worden – naast wat bepaald is in de statuten van de BV – afspraken gemaakt over zaken als: bestuur, beslissingen die via de aandeelhoudersvergadering moeten, verkoop van aandelen (vrijwillig dan wel gedwongen), prijsbepaling van de aandelen, dividendbeleid en uiteraard nog veel meer.

Die afspraken zijn echter optioneel. Sterker nog, een aandeelhoudersovereenkomst is op zichzelf al optioneel. Derhalve 1 gouden tip: aanvaard geen aandelen in een BV zonder aandeelhoudersovereenkomst! Zonder afspraken over dividend en toekomstige exit zit je op de aandelen en ben je overgeleverd aan de keuzes van de grootaandeelhouders.

Dividendbeleid

Liefst maak je dus afspraken over wanneer dividend uitgekeerd wordt (bijvoorbeeld 50% van de winst boven een X bedrag) en onder welke voorwaarden (google maar op uitkeringstest). Dividend kan alleen uitgekeerd worden als er een positieve winstreserve is en de BV na de dividenduitkering aan zijn verplichtingen kan blijven voldoen. Zodoende heb je enige zekerheid dat je aandelen ook daadwerkelijk rendement geven.

Exit scenario

Hetzelfde geldt voor een exit scenario, hoewel dat doorgaans koffiedik kijken is. Je weet immers nooit van tevoren of er een koper komt en wat die koper gaat bieden. Wel kun je de intentie vastleggen dat de aandeelhouders er naar streven om binnen X jaar te komen tot verkoop van de gehele onderneming voor minstens een Y bedrag. Het verplicht niemand tot iets, maar het geeft wel een doelstelling waar naartoe gewerkt kan worden.

En dan komt de fiscus langs

Uiteraard. Met de Belastingdienst moet je rekening houden bij de verwerving van de aandelen, bij ontvangst van dividend, bij de jaarlijkse IB-aangifte en bij verkoop van de aandelen.

De verkrijging

Aandelen die waarde hebben (omdat de onderliggende BV waarde heeft) kun je niet zonder tegenprestatie verkrijgen. Als je niets of te weinig betaalt voor aandelen die waarde hebben dan ligt een aanslag loonheffing in het verschiet omdat je loon in natura hebt genoten. Datzelfde geldt voor de tegenprestatie arbeid. Het komt niet zelden voor dat afgezien wordt van (een deel van het) salaris om zo de verkrijging van de aandelen te bekostigen.

Houd altijd twee zaken in gedachten:

  1. Aandelen verwerven betekent kopen en dat doe je met netto eigen geld. Brutoloon inleveren werkt dus niet, nettoloon inleveren wel.
  2. Zorg dat er een onderbouwing (accountant, fiscalist) is van de waarde van de aandelen en laat die toetsen.

Soortaandelen

Beslissend voor de fiscale behandeling van je aandelen ligt bij het percentage van de aandelen dat je houdt in de BV en welke soort aandelen dat zijn. Daartoe eerst het begrip soortaandelen: aandelen die, in afwijking van gewone aandelen, andere rechten kennen. Letteraandelen en stemrechtloze aandelen zijn doorgaans per definitie soortaandelen. Als er soortaandelen zijn dan wordt gekeken naar het percentage van de soortaandelen dat jij hebt. Zijn er geen soortaandelen dan wordt gekeken naar het percentage van de gewone aandelen.

Minder dan 5% van de (soort)aandelen privébezit

De aandelen vallen voor hun waarde in box 3 van je IB-aangifte. Dat betekent dus dat er jaarlijks een waardering gemaakt moet worden en dat je (boven de vrijstelling) 0,86% tot 1,62% van de waarde aan netto inkomstenbelasting betaalt. Voordeel is dat dividend op de aandelen onbelast is en dat de winst bij verkoop van de aandelen eveneens onbelast is.

Minstens 5% van de (soort)aandelen privébezit

De aandelen vallen in box 2 van je aangifte inkomstenbelasting. Je betaalt dus geen belasting in box 3. Keerzijde is wel dat dividend en verkoopwinst belast zijn met effectief 25%.

Minder dan 5% van de (soort)aandelen in een eigen Holding BV

De aandelen in de BV van je werkgever kun je ook onderbrengen in een eigen Holding BV. Bij minder dan 5% betekent dat echter wel dat dividend en winst op de aandelen belast worden met Vennootschapsbelasting ad doorgaans 20%. Wil je het geld daarna nog naar privé halen dan volgt weer 25% heffing in box 2.

Minstens 5% van de (soort) aandelen in een eigen Holding BV

Houdt jouw Holding BV minstens 5% van de (soort)aandelen dan treedt de deelnemingsvrijstelling in werking. Deze zorgt ervoor dat dividend en verkoopwinst op de aandelen onbelast in je Holding BV komen. Keer je het daarna uit naar privé dan wordt 25% geheven via box 2.

 Belastingheffing en de keuze Holding of privé

Als algemene regel kun je aannemen dat belangen van minder dan 5% het best privé gehouden kunnen worden en belangen vanaf 8% het beste via een eigen Holding BV. Er is namelijk een stukje fiscaal niemandsland waar je maar weinig adviseurs over hoort. Ruwweg is dat het gebied tussen 4,9% en 7% van de aandelen.

Als jou tussen 5 en 8% van de aandelen aangeboden wordt dan moet je serieus overwegen of je niet beter 4,9% in privé kunt voorstellen. Die eigen Holding BV (vanwege de deelnemingsvrijstelling vanaf 5%) kent zelf namelijk ook kosten en het extra dividend dat je krijgt uit die 0,1 tot 3% meer aandelen, weegt doorgaans niet tegen die kosten en de belastingheffing in box 2 op.

Let op met Soortaandelen

De vorenstaande grens van 5% is kritiek, dat mag duidelijk zijn. Maar pas extra goed op met soortaandelen. Een voorbeeld: een BV kent 100 letteraandelen A en 100 letteraandelen B. Jou wordt een aanbod gedaan tot verwerving van 6 aandelen B.

Op het totaal van de aandelen heb je 3% (6 op 200) en zou je denken dat je belang daardoor in box 3 valt. Maar je hebt 6% van het soortaandeel letteraandeel B. Dat is beslissend en dus valt jouw belang in de BV ineens in box 2.

Stichting Administratiekantoor (STAK) en Certificaten van aandelen

Deze oplossing wordt vaak aangeboden als de werkgever niet wil dat jij stemrecht hebt in de aandeelhoudersvergadering en jij niet in de knel wilt komen met Soortaandelen en box 2 heffing.

Bij een  STAK worden de stemrechten overgedragen aan een Stichting. Die Stichting heeft als enig doel het stemrecht uitoefenen op de aandelen van de BV. Veelal zullen de grootaandeelhouders plaats nemen in het bestuur van de Stichting en jij dus niet. Zodoende heb je geen stem in de aandeelhoudersvergadering.

Wel krijg je certificaten van aandelen die recht geven op dividend en verkoopwinst.

Het is dus vergelijkbaar met een stemrechtloos aandeel. Echter, Een stemrechtloos aandeel is ook een soortaandeel en dus loop je het risico (zie vorige paragraaf) dat als je 5% of meer van de stemrechtloze aandelen hebt, dat je dan weer in box 2 terecht komt.

Door het certificeren van de aandelen ontstaat geen soortaandeel. Zolang je minder dan 5% van de certificaten houdt, zit je dus in box 3.

Tot slot

Hierboven heb je gelezen wat er zoal qua stemrecht, financiële gevolgen en fiscale keuzes op je pad komt. Dat helpt je hopelijk op weg. Maar bedenk je ook goed dat een aandeelhouders- of participatieovereenkomst vaak veel meer bevat dan wat je hier gelezen hebt en zorg ook dat je weet wat je koopt. Klopt de prijs voor de aandelen? Hoe ga je het betalen? Wat weet je van de financiële situatie van de BV? Zijn er verborgen risico’s? Als het juridische en waarderings-lingo je niet eigen is, neem dan gerust contact op.

Mooi idee, goed idee, maanden, nee jaren ontwikkelen, net genoeg uurtjes kunnen steken in externe opdrachten, maar toch brood met kaas voor diner, avonden doorhalen, weekenden bezet, sociaal leven (buiten media) op nul en dan komt hij/zij: de investeerder! Ik ben gezien! Ik ben opgemerkt! Iemand gelooft in mij! Met hun hulp ga ik doorbreken! Mijn idee met hun marketingbudget is goud! Klinkt bekend? Of hoop je dat het snel bekend gaat klinken? Pauzeer even en lees hieronder goed door waarop je nog beter bedacht moet zijn!

Waar heb ik het over?

Start-ups. Zolderkamerpezers, nachtbrakers, rotsvast geloof in wat ze maken, op zoek naar erkenning, exposure en succes. De doorbraak waarop ze al die maanden en jaren hoopten. Maanden en jaren van weinig inkomen en maar bouwen aan hun product. Ja, app-ontwikkelaars, webshopbouwers, luxe goederen en trendy artikelen, al dan niet consumeerbaar. Veelal raken ze de kern van wat de markt vraagt, maar hoe kom je van je zolderkamer af? Een idee zonder geld is waardeloos. Een product zonder geld idem dito. Vier jaar werken aan een concept, idee of product is niet zeldzaam. En dan ineens wordt je opgemerkt: jouw idee is volgens de geïnteresseerde investeerder precies wat zijn portfolio nodig heeft. Het is uniek, baanbrekend, geschikt voor een niche- of groeimarkt en met zijn/haar geld wordt het schaalbaar. En schaalbaarheid is de sleutel (of het toverwoord zo je wilt) tot een toekomstige exit op 6 of 7 cijfers voor de komma.

Waarom dan pauzeren?

Omdat investeerders ook niet gek zijn. Jij hebt iets en zij willen er iets mee, omdat zij geloven dat wat jij hebt, hen verder zal helpen in euro’s. Het is niet zeldzaam dat de ondernemer verblind raakt door wat een investeerder aanbiedt: veel geld, netwerk, kennis, marketing, expertise in de branche. Je droom komt uit nog voordat er getekend is. Maar is dat wel zo? Als de rook van alle euforie opgetrokken is, waar heb je dan precies voor getekend?

Weet wat je ‘verkoopt’!

Laat ik voorop stellen dat een BV de geijkte rechtsvorm is. Het lijkt zo simpel: je maakt van je eenmanszaak een BV en de investeerder biedt bedrag X voor Y procent van de aandelen en zolang hij geen meerderheid van de aandelen verlangt, zit je goed. Toch? Elke BV kent twee essentiële pijlers: recht op winst en recht op invloed (stemrecht). Hoe komen investeerders dan vaak weg met een minderheid van de aandelen en toch een enorme invloed? En waarom zie je als ondernemer soms niets terug van het geld dat de investeerder stort in de BV? Het zit in de details.

De basics: standaard BV-structuur

Veelal zal de structuur van je onderneming na de participatie er als volgt uitzien: jij richt een Holding BV op. De Holding BV richt een tussenholding op waarin het IP gehouden wordt, de tussenholding richt een werkmaatschappij op waarin het IP geëxploiteerd wordt. Voor dat laatste verleent de tussenholding aan de werkmaatschappij een licentie. De investeerder zal willen instappen in de tussenholding, zodat ook het IP mede zijn eigendom wordt. Een goed uitgebouwd en geëxploiteerd IP is niet zelden het meest waardevolle bezit van de onderneming en dus de cash cow bij verkoop. En aangezien het IP zelf verkopen betekent dat er vennootschapsbelasting betaald moet worden, zal bij een exit de tussenholding in zijn geheel verkocht worden (aandelenoverdracht) zodat de deal onder de deelnemingsvrijstelling onbelast blijft!

Een fictief voorstel

Laten we voor de rest van deze column uitgaan van het volgende voorstel:

1. Investeerder verkrijgt 40% nieuwe aandelen in de tussenholding tegen 200k.

2. in de aandeelhouders- of participatieovereenkomst (niet zelden geheel in het Engels opgesteld) kom je (in afwijking van de statuten/oprichtingsakte) de volgende termen tegen:

– versterkt stemrecht van 65% (qualified majority of votes);

– tag along;

– drag along;

– aanbiedingsplicht (mandatory offer of shares or obligation to offer shares);

– bad leaver;

– non-concurrentie-, non-relatie-, anti-ronselbedingen en verbod op nevenwerkzaamheden (non-compete, non-solicitation, ancillary activities).

Wat verkoop je nu precies?

NIETS! Als je met het voorstel onder punt 1 hiervoor dacht dat jij of jouw holding BV er direct beter van wordt, helaas. In dit voorstel geeft de tussenholding nieuwe aandelen uit aan de investeerder. En de investeerder betaalt dat geld aan …… de tussenholding. Jouw holding BV levert geen aandelen aan de investeerder dus jouw holding BV krijgt ook niets. Wat je wel ‘krijgt’? Een verwatering van jouw holdings belang in de tussenholding van 100% naar 60%, in de hoop dat de waarde van de tussenholding met minstens 67% groeit op termijn (min 40% betekent dat je vanaf 60% weer met 67% moet groeien om uit te komen waar je was).

Investeerders die geld willen stoppen in een onderneming zullen vaak kiezen voor deze route als een onderneming nog uitgebouwd moet worden en daar budget voor nodig is. Voor jou als ondernemer is het goed te beseffen dat dit dus vooral geen cash momentje is. Je staat een belang in je onderneming af in de hoop/verwachting dat met het geld, netwerk en expertise van de investeerder de tussenholding of de werkmaatschappij verder kan groeien naar een marktpositie die opvalt, aandacht trekt en mogelijk zal leiden tot een strategische verkoop over 4 tot 7 jaar.

Grootaandeelhouder en toch geen controle

Je hebt 60% van de aandelen en dus de meerderheid van stemmen in de aandeelhoudersvergadering. Wat een gouden deal! Geld erbij en toch de touwtjes in handen?! Of trekt er nog iemand anders aan de teugels van je paard? Jazeker! Geen weldenkend investeerder geeft alle touwtjes uit handen. Investeerders zorgen ervoor dat zij invloed hebben in de aandeelhoudersvergadering op kritieke beslissingen en ze zorgen ervoor dat jij niet zomaar met de BV kan doen wat jou goeddunkt, dus ook niet met de aandelen van de BV.

Versterkt stemrecht en unanimiteit van stemmen

Vaak wordt de ondernemer aangesteld als bestuurder en als bestuurder kun je de BV veelal leiden zoals je dat zelf wilt. Totdat … je als bestuurder aanloopt tegen dat nare lijstje met beslissingen die via de aandeelhoudersvergadering (de AvA) moeten lopen. Dat lijstje omvat vaak ingrijpende besluiten zoals het uitgeven van nieuwe aandelen, uitkeren van dividend, wijzigen van de statuten, maar ook een kapstokbepaling die paal en perk stelt aan het geld dat jij namens de BV mag uitgeven (“het aangaan van overeenkomsten die een belang van € x.xxx te boven gaan”). Je belegt een AvA en doet het voorstel. De investeerder stemt tegen en daarmee is het voorstel verworpen. Huh? Ja, want in de participatie-/aandeelhoudersovereenkomst staat dat deze besluiten met een versterkte meerderheid van 65% van de stemmen genomen moeten worden. Als de investeerder met 40% tegen stemt, dan kom jij met jouw 60% niet aan die vereiste meerderheid van 65% en dus is het voorstel van tafel. Unanimiteit in de AvA spreekt voor zich.

Of erger nog, je belegt geen AvA en gaat als bestuurder gewoon je gang. Jaren later ontstaat er onenigheid met de investeerder en de investeerder besluit jouw bestuurlijke beslissingen eens langs het nare lijstje te leggen. Dan blijkt dat je diverse AvA’s had moeten beleggen, wat je niet gedaan hebt, en stelt de bestuurder jou aansprakelijk voor de financiële gevolgen van alle beslissingen die je via de AvA had moeten laten lopen. En bij echte herrie zal dan ook snel het boetebeding uit de participatie-/aandeelhoudersovereenkomst ingeroepen worden.

Tag along

Letterlijk aanhaken. Als jij een koper vindt voor de aandelen in je tussenholding dan kan de investeerder via deze bepaling jou verplichten om zijn aandelen (onder dezelfde voorwaarden) mee te nemen in de deal. Wil de koper de aandelen van de investeerder niet, dan komt er geen deal tot stand. Dat lijkt niet zo bezwaarlijk maar menig investeerder bedient zich van een tag along die alleen ten gunste van hemzelf opgesteld is. Dus gebeurt het omgekeerde – de investeerder vindt een koper – dan heb je geen recht om bij zijn deal aan te haken.

Drag along

Letterlijk meeslepen. Als de investeerder een koper vindt dan kan hij via een drag along bepaling jou verplichten om je aandelen (onder dezelfde voorwaarden) mee te verkopen. Dus ook als jij het voorstel van die koper of de koper zelf helemaal niet ziet zitten. En ook hier wordt de drag along vaak eenzijdig opgesteld: de investeerder krijgt het recht jou mee te slepen in zijn deal, maar omgekeerd kun jij de investeerder niet verplichten mee te gaan in een deal die jou aangeboden wordt.

Aanbiedingsplicht

In vrijwel alle statuten van BV’s kom je een blokkeringsregeling tegen in combinatie met een aanbiedingsplicht. Simpel gezegd: een aandeelhouder mag zijn aandelen in een BV niet zomaar verkopen aan een derde (blokkering), maar moet deze eerst aanbieden aan de overige aandeelhouders. De blokkering is er om te voorkomen dat een aandeelhouder zijn aandelen verkoopt en de andere aandeelhouder(s) ineens met een wildvreemde partij in de AvA zitten. De aanbiedingsplicht is er om te zorgen dat in bepaalde gevallen de overige aandeelhouders de gelegenheid krijgen om verder te gaan met de gezamenlijke BV. Immers, stel dat een aandeelhouder komt te overlijden of zijn holding gaat failliet dan wil je afspraken hebben gemaakt over wat er dan met diens aandelen in de gezamenlijke BV moet gebeuren. In de statuten worden vaak maar een beperkt aantal oorzaken genoemd die leiden tot een aanbiedingsplicht.

In de participatie-/aandeelhoudersovereenkomst wordt dat lijstje (de What if bepalingen) vaak een stuk langer gemaakt. Denk aan: verbreking huwelijkse gemeenschap, overdracht van de aandelen van je Holding BV, aanstellen andere bestuurder in je Holding BV, langdurige arbeidsongeschiktheid, opzeggen van de managementovereenkomst tussen je holding en de werkmaatschappij. Niet zelden worden deze What if bepalingen alleen van toepassing verklaard op de ondernemer en/of zijn persoonlijke Holding BV.

Bad leaver

In combinatie met de aanbiedingsplicht kom je deze term tegen als de investeerder jou maar wat graag bindt aan de BV voor een zekere periode. Niet onlogisch, zeker niet in de opbouwfase, maar wat onderteken je nu precies? Aan de term Bad Leaver worden diverse omstandigheden gekoppeld waarin je als slecht vertrekker zult worden aangemerkt, met dito gevolgen voor de prijs die je krijgt voor je aandelen. Denk hierbij aan disfunctioneren als bestuurder, blijvende arbeidsongeschiktheid in de opbouwfase, gedragingen die bij een dienstbetrekking zouden leiden tot ontslag op staande voet, maar vergeet vooral niet: (vrijwillig) vertrek binnen X jaar nadat de overeenkomst getekend is. Als zo’n situatie zich voordoet dan wordt je verplicht je aandelen aan te bieden aan de investeerder en de investeerder betaalt er de laagste van de nominale waarde of de marktwaarde voor.

Non-concurrentie-, non-relatie-, nevenwerkzaamheden en anti-ronselbedingen

Het spreekt voor zich dat je gedurende de samenwerking met de investeerder geen concurrentie aangaat met de gezamenlijke BV, geen relaties van de BV benadert voor leveringen buiten de BV om, je tijd niet steekt in andere ondernemingen dan de BV en geen personeel van de BV ronselt voor andere werkzaamheden dan die van de BV. Wees er echter op bedacht dat deze bedingen doorgaans ook 2 of 3 jaar doorlopen nadat je vertrokken bent als aandeelhouder. En bedenk je vooraf goed of dat wel wenselijk is voor je. Zeker als er een bad leaver clausule in de overeenkomst staat, moet je je afvragen of een non-concurrentiebeding die doorloopt nadat je geen aandeelhouder meer bent, niet te veel broodroof betekent voor je. Datzelfde geldt voor ondernemers die meerdere pannetjes op het vuur hebben staan. Als je een verbod op nevenwerkzaamheden tekent, dan zul je het gas onder de andere pannetjes uit moeten zetten.

Zorg er dus voor dat je de inhoud van degelijke bedingen bespreekt en waar nodig uitzonderingen bedingt en opneemt in de overeenkomst.

Tot slot

Ik hoop je hiermee een leerzaam kijkje in mijn advieskeuken te hebben geboden. Uiteraard is deze column niet volledig. Investeerders, maar ook de ondernemers zelf, kunnen zich van nog veel meer bepalingen dienen, die al dan niet in eigen belang zijn. Tref je een investeerder die met een of meerdere van deze bepalingen komt, schroom dan niet om ze ter discussie te stellen. Je zult het waarschijnlijk niet allemaal in je voordeel kunnen beslechten, maar wees kritisch en stel van tevoren goed vast welke bepalingen voor jou deal breakers horen te zijn.

Zijn investeerders dan boeven? Nee hoor. Ze denken alleen anders over hun belang in jouw onderneming dan jij dat doet. De ene keer begeleid ik de investeerder, de andere keer de ondernemer. De uitdaging is elke keer om te komen tot afspraken waarmee beide partijen tevreden zijn en zich vooral serieus genomen voelen. Niets is demotiverender dan ondernemen met het idee dat je het alleen maar voor een ander doet.

En zo geschiedde: de VAR verdwijnt per 1 mei 2016 en de modelovereenkomst doet zijn intrede. Moeten we ons zorgen maken? Ja en nee. Maar nog eerst even dit:

Waarom van VAR naar modelovereenkomst?

Simpel: handhavingsproblemen bij de fiscus. Ik haalde het al aan in mijn vorige blog: met 50 man kun je geen 500.000 VAR-aanvragen controleren. En met 50 man kun je ook zeker niet alle modelovereenkomsten die voorgelegd gaan worden controleren. Maar doordat de opdrachtnemer nu ook verantwoordelijk is, ontstaat zeker een afschrikwekkend effect bij die opdrachtgevers, die niet zo overtuigd zijn van het ondernemerschap van de in te huren partij.

Geen zorgen voor de ‘echte’ ondernemer

Laat ik voorop stellen dat de fiscus je niet verplicht om een modelovereenkomst te gebruiken. Als je overtuigd bent van je ondernemerschap en je opdrachtgever heeft er ook geen problemen mee dan staat het je vrij om gewoon te werken met een eigen overeenkomst van opdracht.

Geen zorgen voor de ‘echte’ freelancer

Als je dan toch kiest voor de modelovereenkomst zorg dan dat de praktijk aansluit bij de overeenkomst! Zeker in de gevallen dat er geen gezagsverhouding is of waarin je je vrij kunt laten vervangen, zal de modelovereenkomst doen wat hij moet doen: geen gezeur over loonheffingen van de fiscus. Let er wel op dat het opvoeren van de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling hier niets mee van doen heeft. Het is aan jou om te bepalen/bewijzen dat je ondernemer bent voor de inkomstenbelasting. De modelovereenkomst heeft daar niets mee van doen.

Zorgen voor de ‘niet-zo-zelfstandigen’

Ik kan me indenken dat menig zelfstandige zichzelf als ondernemer ziet: geen vakantiedagen, geen vakantiegeld, geen WW, WIA en ziektewet, geen zekerheid van inkomen en opdrachten. Maar de Nederlandse wetgeving is niet berekend op deze hybride vorm van arbeid. Want voor de wet wordt gekeken naar persoonlijke arbeid, betaald krijgen en gezagsverhouding. Dat bepaalt of er sprake is van een dienstbetrekking. En dus kan het gebeuren dat de fiscus je opdracht bestempelt als verkapte dienstbetrekking terwijl jij daar (wegens alle risico’s die je loopt) heel anders over denkt. Deze groep zelfstandigen moet alert zijn.

Veel opdrachtgevers konden zich prima vinden in het warme bad van de VAR-WUO en VAR-DGA. Nu is er echter een koude douche in de vorm van de modelovereenkomst. En veel opdrachtgevers bibberen al nu zij ook risico lopen op naheffingen. Als zij het niet meer zien zitten om je in te huren, overweeg dan payrolling of een dienstbetrekking. Laat je niet zomaar verleiden tot BV-constructies met sociale zekerheid. Vaak zorgen de kosten en extra belastingheffing voor een aanzienlijk nadeel. En je opdracht via een intermediair laten verlopen, lost ook niet per se iets op. Uiteindelijk doe jij het werk voor de uiteindelijke klant en naar die relatie wordt gekeken.

Zorgen voor de ‘echte’ ondernemers en freelancers

Waar ik me zorgen om maak zijn bibberende opdrachtgevers die (enigszins verblind) besluiten dat ze het risico niet willen nemen. Die kun je met argumenten overtuigen, je kunt voorstellen dat jij hen vrijwaart voor naheffingen of je hebt gewoon geen opdracht. Het zou mij niet verbazen als veel zelfstandigen gedwongen worden tot payrolling of een dienstbetrekking, terwijl voor hen duidelijk is dat ze juist wel ondernemer zijn.

Waar ik me ook zorgen om maak, is het aantal opdrachten dat mogelijk niet doorgaat omdat een aan de fiscus ter beoordeling voorgelegde overeenkomst te lang op zich laat wachten.

En nu? De tips:

We moeten het ermee doen. Klinkt als een enorme dooddoener en dat is het ook. De tijd dat je een VAR-WUO of VAR-DGA “bij elkaar kon vinken” is voorbij en daarmee dus ook de zekerheid van een opdracht. Overigens wil ik hiermee niet suggereren dat enkel het ‘juiste vinkje’ plaatsen mijn goedkeuring wegdraagt, in tegendeel.

  • ‘Echte’ ondernemers zou ik aan willen raden om weg te blijven bij de modelovereenkomsten.
  • ‘Echte’ freelancers idem dito. Eist je opdrachtgever er toch een, zorg dan in elk geval dat jouw zelfstandigheid (het ontbreken van een gezagsverhouding) goed vastligt in de modelovereenkomst en dat die aansluit bij de praktijk.
  • ‘Twijfelaars’: kijk heel goed naar de aard van je opdracht en of er sprake is of zou kunnen zijn van een gezagsverhouding. Lijkt het allemaal te veel op een verkapt dienstverband, overweeg dan payrolling of een echt dienstverband.

Verder zou ik elke zelfstandige op het hart willen drukken om ook de kenmerken van je onderneming duidelijk te uiten. Zorg voor een website waarmee je potentiële opdrachtgevers verleidt tot zaken, niet zomaar een uithangbord met je contactgegevens. Denk aan je huisstijl, wees actief op social media, geef visitekaartjes, investeer in kennis en bedrijfsmiddelen, etc. Hoe meer jij er een onderneming van maakt, des te groter de kans dat je opdrachtgever dat ook zo ziet.

 

 

Wat zit er nu fundamenteel mis in de VAR en de beoogde opvolger? De Senaat twijfelt nog aan de beoogde opvolger, de modelovereenkomsten, en ik met hen:
 
Daartoe eerst drie vragen:
1.    Wat wil de overheid nu wel en niet?
2.    Wat wil de zelfstandige opdrachtnemer?
3.    Wat wil de markt?

Overheid
De overheid ziet, mede door eigen falend beleid, maar dat is een andere discussie, een explosieve toename van het aantal zelfstandigen. Een deel daarvan, maar tegelijk het gros van de ingeschreven starters van de laatste 4 a 5 jaar, verricht werk dat anderen in dienstbetrekking doen onder gelijke omstandigheden. Echter, deze groep zelfstandigen doet vervolgens twee dingen (al dan niet bewust):
1.    Over hun winst betalen zij geen premies sociale verzekeringen;
2.    In hun IB-aangifte claimen zij ondernemer te zijn en doen zij een beroep op aftrekposten als de zelfstandigenaftrek, startersaftrek, MKB-winstvrijstelling, investeringsaftrek, aftrek van zakelijke kosten, toevoeging aan de fiscale oudedagsreserve, etc etc.

Dus wat ziet de overheid:
Ad 1: uitholling van de pot die de sociale verzekeringen financiert;
Ad 2: tegelijk minder belastinginkomsten.

Anders gezegd, vanuit de overheidsfinanciën een verlies-verlies-situatie. “Dus daar moeten we wat aan doen”, zoals het credo luidt als er vanuit de eigen opgestelde wetten onwenselijke bijeffecten optreden. Zo zit wetgevend Nederland immers in elkaar. Reparatiewetgeving.

Wel
De overheid wil dus dat alleen de ‘echte’ ondernemers geen premie hoeven te betalen voor de sociale voorzieningen en kunnen profiteren van de ondernemersvoorzieningen zoals hiervoor onder 2 aangehaald.

Niet
De overheid wil niet dat schijnzelfstandigen (doorgaans aangeduid als zelfstandigen die langdurig voor een of een beperkt aantal opdrachtgevers werken en dat ook doorgaans in gezagsverhouding doen) profiteren van de faciliteiten voor ondernemers terwijl hun opdrachtgevers niets bijdragen aan de sociale potten.

Zelfstandigen
De zelfstandigen willen inkomen. Punt! Veel ‘schijnzelfstandigen’ zijn niet vrijwillig op het idee gekomen om zich in te schrijven bij de KvK. Vaak zijn zij zich ervan bewust dat ze zich niet echt als ondernemer ‘gedragen’, maar tegelijk zien zij ook dat een 1 op 1 vergelijking met een werknemer in dienstbetrekking niet meer opgaat. Geen zekerheid van inkomen of verlenging van je opdracht, geen vakantiedagen, geen pensioen, geen ziektewet, geen WW, etc etc. Daar wil je dan voor gecompenseerd worden. En laat de overheid die ‘compensatie’ nu zelf mogelijk maken: “je presenteert je als ondernemers”.

Wel
De zelfstandige wil dus enige vorm van compensatie voor de onzekerheden die hij loopt en benut die door zich te presenteren als ondernemer.

Niet
De zelfstandige wil geen gezeur van de overheid t.a.v. diens positie als zelfstandige. In zijn ogen is hij geen werknemer meer, want veel minder zekerheden.

Markt
Wat de markt wil is vooral profiteren van wat er wettelijk mogelijk is. De behoefte aan flexibel inzetbare werkers is blijkbaar groot, gezien alle tamtam die nu speelt rond de VAR en diens opvolger. De markt wil ook zekerheid, liefst vooraf, dat er geen sancties achteraf door de overheid opgelegd kunnen  worden. Vandaar dat de huidige VAR-systematiek ze ook als muziek in de oren klinkt. Opdrachtnemer kruist de juiste vakjes aan, krijgt een VAR-WUO of VAR-DGA en de opdrachtgever is gevrijwaard. Hoezee!

Wel
Flexibele inzet van arbeid, te ontbinden naar behoefte, zonder de extra werkgeverslasten.

Niet
Risico lopen dat achteraf alsnog premieheffing en loonbelasting verhaald worden op ze.

Tussenstand
Dat laat zich natuurlijk niet combineren. De overheid ziet ongewenste effecten van hun eigen wetgeving (pot sociale voorzieningen wordt minder gevuld en IB-opbrengsten dalen), de zelfstandigen zien zich niet als werknemers (veel meer risico) en de markt wil flexibiliteit en geen risico achteraf.

Hoe is het zo gekomen?
Simpel: met de introductie van de VAR heeft de overheid getracht de grenzen tussen dienstbetrekking en ‘freelancers’ en ondernemers te beslechten. De manier waarop is echter een aanfluiting en geeft – zeker sinds veel werknemers hun vlucht hebben gezocht tot een KvK-inschrijving – te denken. Er is in elk geval zeker niet geanticipeerd op de gevolgen van de VAR.

Immers, de VAR doet:
1.    in elk geval wat de markt wil (zekerheid vooraf en geen risico op naheffingen).
2.    in zekere zin, ook wat de opdrachtnemer wil (kruis juiste hokjes aan, VAR-WUO of VAR-DGA binnen en dus je opdracht ook).
3.    Maar de VAR doet niet wat de overheid wil.

Ad 3: de kardinale fout binnen de VAR is de VAR-ROW. Resultaat uit Overige Werkzaamheden. Anders gezegd, de VAR die niet bestaat! De fiscus geeft op voorhand geen uitsluitsel over de fiscale status van de opdrachtnemer met als gevolg dat zowel opdrachtnemer als opdrachtgever in onzekerheid verkeren over mogelijke naheffingen van premies sociale verzekeringen en loonheffing.

Dus wat doe je dan? Nou de markt eist een VAR-WUO of VAR-DGA, want die bieden die zekerheid voor hen vooraf wel en dus zonder die VAR’s geen opdracht. En de zelfstandige wil een opdracht, dus die gaat op zoek naar die VAR-WUO of VAR-DGA. En daar komt het tweede grote gat in de huidige wetgeving naar voren: met een beetje verstand kruis je de VAR-WUO of VAR-DGA zo bij elkaar op het aanvraagformulier.

Is dat dan geen fraude vraagt u? Ja en nee. Nee, want je vraagt de VAR aan voor de toekomst. Je geeft dus aan dat je verwacht dat de kruisjes die je bij de diverse vragen gezet hebt, ook uitkomen. Ja, omdat je wettelijk ook verplicht bent om de VAR-aanvraag te wijzigen als de omstandigheden die je eerst aangekruist had, niet uitgekomen zijn. En juist dat laatste doen we niet! Want dat kost je je opdracht. Liever de fiscus niet informeren en je opdracht behouden, dan eerlijk inkomensloos thuis zitten. En laten we wel wezen, het ontbeert de fiscus duidelijk aan slagkracht om te handhaven op de aangekruiste hokjes op alle VAR-aanvragen. Dus nemen we het risico. Gewoon omdat de opdracht belangrijk is en de pakkans klein.

Wat doet de ZZP-modelovereenkomst dan?
In elk geval een hoop stof opwaaien! De overheid wil met deze overeenkomsten in elk geval drie zaken bereiken:
1.    de invloed van de markt (opdrachtgevers) tot het verplicht doen van zaken met een VAR-WUO of VAR-DGA uitbannen;
2.    Aansprakelijkheid en financiële verantwoording niet alleen bij de opdrachtnemer leggen maar juist ook bij de opdrachtgever;
3.    Voorkomen dat ‘schijnzelfstandigen’ een beroep doen op fiscale ondernemersfaciliteiten en dat zij het liefst terugkeren naar dienstverband met premieafdracht door de werkgever.

In het verlengde daarvan hoopt de overheid dat veel ‘schijnzelfstandigen’ maar ook hun opdrachtgevers dan maar afzien van de huidige vorm van samenwerking.

Devide and conquer
Ook wel “Divide et Impera” in Latijn, toegeschreven aan Phillippus II van Macedonië. Letterlijk, Verdeel en heers. Blijkbaar is iemand wakker geworden bij de wetgevende macht na een avondje googelen op ‘strategische politiek’. Met als gedachtegang: “aangezien de Belastingdienst niet in staat is om elke kleine zelfstandige te controleren op zijn VAR, kunnen we beter een verdeel en heers strategie toepassen waarin we de verantwoordelijkheid van de fiscale status van de opdrachtnemer ook neerleggen bij de opdrachtgever”. Die luistert wel want controle binnen een dergelijke organisatie is veel eenvoudiger en veel impactvoller”.

Angst kweken? Jazeker! Want als de leidende factor in de keten van werkzaamheden, de opdrachtgever, medeverantwoordelijk wordt gehouden, dan zullen zij zich wel twee keer bedenken voordat ze doorgaan met deze manier van handelen.

En dat is al gaande. Ik sprak een zeer groot detacheerder die nu al hint op loondienst of gebruik van een ‘werknemers-BV’ die wel premieplichtig is voor de sociale verzekeringen. Bang voor de gevolgen van naheffingen als blijkt dat de modelovereenkomst niet in lijn ligt met de werkelijkheid van het werk dat de door hen gedetacheerden verrichten.

Wat doet de markt dan?
Zoals net gezegd: “wil je werken dan kom je maar in loondienst of regel je voor een X-bedrag per maand maar een eigen ‘werknemers-BV’”. Maar de markt wil in elk geval niet al te veel loondienst! Dus lijkt mij het een utopie dat de overheid erop kan rekenen dat opdrachtgevers ineens een arbeidsovereenkomst aangaan met dezelfde mensen die zij eerder als zelfstandigen inhuurden. Missie geslaagd? Nee!

Een saillant detail daarin is de wetgeving die sinds 2015 van kracht is t.a.v. werknemers. Het aantal opvolgende tijdelijke contracten is verder beperkt en tegelijk worden werkgevers verplicht tot het betalen van een transitievergoeding bij einde dienstbetrekking. Zonder in details te treden, is het op zijn zachts gezegd opmerkelijk dat de overheid werkgevers verder bemoeilijkt om flexibel met arbeid om te gaan, terwijl ze aan de andere kant de regels voor ‘zelfstandigen’ hard aantrekken.

Risico: meer ‘schijnzelfstandigen’ op straat omdat hun opdrachtgevers het risico niet aandurven. Of meer gedwongen zelfstandigen in een ‘werknemers-BV’, ook als ze dat per jaar LETTERLIJK 3.000 tot 6.000 euro meer belasting kost. En laat nu net diezelfde belastingdienst met de grootste aanbieder van de ‘werknemers-BV’ daar goede afspraken over hebben… Niets ten nadele van die aanbieder uiteraard! Maar het roept wel de vraag op of die afspraken juridisch houdbaar zijn?

En ik dan als echte freelancer/ZZP-er/zelfstandige?
Zoals zo vaak loop je dan op tegen de gevolgen van de situatie van een groep X die het lastiger maakt voor groep Y.  Je hoeft in beginsel niet te vrezen voor je fiscale status, maar het brengt wel weer een enorme extra berg werk teweeg. Waar je nu 1 VAR kunt overleggen moet je dus straks met elke opdrachtgever een overeenkomst aangaan. En dan maar hopen dat de opdrachtgever dat ziet zitten en je dus de opdracht nog gunt.

Voor nu dus lijdzaam toezien en wachten of er een beter alternatief komt. Ja, weinigen kunnen het grondig verpesten voor velen. Hoewel het in mijn ogen nu eens niet per se te wijten is aan die weinigen!

En dus?
Voor nu afwachten of de wijzen van de Senaat het evenmin zien zitten als ik en velen met mij. 
De zwakste schakel blijft het controle-apparaat van de fiscus. Er is geen mankracht om zich druk te gaan maken over deze groep zelfstandigen. Daarom denk ik ook dat het met de controle op de modelovereenkomsten ook wel mee zal vallen. Zoals eerder onder Divide and conquer aangehaald, zullen vooral de grote opdrachtgevers zich achter de oren krabben.

Is er een oplossing?
Die vraag stel ik mijzelf al jaren. Ik heb vaker gepleit voor een VAR-JA of een VAR-NEE. Een simpel onderscheid JA, je bent in loondienst, NEE, je bent het niet.

Of iemand vervolgens zichzelf al dan niet terecht presenteert als ondernemer voor de IB is een zaak van de afdelingen inkomstenbelasting en omzetbelasting van de Belastingdienst. Helaas lost dat voor de beperkte controlemogelijkheden van de fiscus niets op. Maar dat is in essentie het probleem van de overheid.

Daarmee kun je IMHO wel al een ding voorkomen: de perverse prikkel die nu uitgaat van de opdrachtgevers EN de VAR-systematiek om te komen tot een VAR-WUO of VAR-DGA.

Met een VAR-JA of een VAR-NEE kun je de vragen op de aanvraag inperken en zo meer focus leggen op de essenties van een dienstbetrekking (verplichte persoonlijke arbeid, verplichting betaald te krijgen en aanwezigheid van een gezagsverhouding).

 

De Senaat stemt tegen het einde van januari. Wordt vervolgd….

Het einde van 2013 werd gekenmerkt door een enorme drukte bij notarissen en fiscalisten met verstand van de stamrechtvrijstelling op ontslagvergoedingen. Die vrijstelling zou namelijk beëindigd worden per 1-1-2014, met enig termijnverlengend overgangsrecht voor werknemers die voor 31 december 2013 hun ontslag aangezegd kregen. Die details zijn nu niet meer belangrijk. Maar waar staan we nu?

Afkoop gehele stamrecht in 2014

Gemotiveerd doordat 20% van het stamrecht onbelast uitgekeerd kon worden indien het gehele stamrecht in 2014 werd afgerekend, hebben veel houders van een stamrecht BV besloten de zaak op te doeken. En geef ze eens ongelijk. Als je destijds (dus tot 31 december 2013) de 52% loonheffing over je ontslagvergoeding hebt weten uit te sparen en je mag nu afrekenen over 80% van de waarde van je stamrecht op 1 januari 2014, dan doe je het doorgaans prima. Kort door de bocht betaal je over de afkoop van je stamrecht dan geen 52% maar (80% van 52%) 41,6%. Dat is snel verdiend, zeker als je in 2013 ontslagen bent en al in 2014 gebruik kon maken van deze regeling.

Dat ging helaas niet voor iedereen op. Ten eerste omdat er nogal eens een waarderingsverschil bestond tussen de fiscale waarde van een stamrecht op de balans en de commerciële waarde (waarover de fiscus heft bij gebruikmaking van de 20% korting). Doordat de commerciële waarde (met name door de lage rentestand) doorgaans fors hoger was dan de fiscale waarde, bood de regeling voor mening stamrecht BV eigenaar geen soelaas.

De tweede groep die het niet gedaan hebben (of beter niet gedaan zouden kunnen hebben) zijn de stamrecht gerechtigden die een klein pensioen hebben. De belastingdruk vanaf de pensioendatum kan zo laag zijn als 19%. Dat vereist wel fiscale planning en je hebt natuurlijk altijd nog te maken met het lage rendement op je spaargeld in je BV en de kosten van de BV.

En de belastingdruk kan nog lager als je niet meer in ons kikkerlandje woont en wel uitkeringen geniet uit je stamrecht BV. Enfin, de keuze afkopen in 2014 of niet, was wederom maatwerk.

En waar staan we nu in 2015 en verder?

Wat niet iedereen weet, is dat je sinds dit jaar de uitkeringen uit je stamrecht BV kunt opnemen naar eigen goeddunken. Er is geen verplichting meer om de uitkeringen zo in te richten dat ze voldoen aan de definitie van een periodieke uitkering of dat ze voldoen aan de termijn die, tot voor kort dus, bekend stond onder de 1% sterftekans termijn.

Als je wilt opnemen uit je stamrecht BV dan ben je daar nu geheel vrij in. Uiteraard zal de BV loonheffingen moeten afdragen (groene tabel, bijzondere beloningen en ZVW als ingehouden bijdrage), maar je hebt niet meer te maken met periodieke uitkeringen of uitkeringen die moeten voldoen aan een vooraf vastgestelde looptijd.

Let wel: die vrijheid gaat niet op bij stamrechten die op grond van de einddatum al tot uitkering móeten komen. Dus uitkeringen vanaf 65 of de AOW-gerechtigde leeftijd dienen wel de oude regels te volgen.

Dat maakt het hebben van een stamrecht BV nu nog steeds een zeer aantrekkelijk instrument om je inkomen mee aan te vullen zonder dat je met die uitkeringen onverwacht in een te hoog IB-tarief terecht komt.

Wat is het DGA-loon (fictief loon of gebruikelijk loon)?

Als u dit leest dan bent u waarschijnlijk wel bekend met dit fenomeen. Kortweg (er zijn nog wat aanvullende mogelijkheden): als u een aanmerkelijk belang heeft in een BV (privé houder van 5% of meer van de (soort)aandelen in een BV) én u verricht arbeid voor die BV (of dochter BV’s al dan niet via managementfee) dan wordt van u verwacht dat u een X-bedrag aan salaris opneemt. Doet u dat niet dan kan de fiscus heffen over een (hieronder te bespreken) fictief loon.

Een korte geschiedenis (saai maar bijt toch maar even door)

Al in 1978 kunnen in de rechtspraak (voor de fanatici, het Zweeds Grootmoederarrest) de eerste signalen gevonden worden die uiteindelijk geleid hebben tot het gebruikelijk loon voor de DGA. Het duurde echter tot 1986 voordat rechtspraak ook definitief aanwees (de Kostenarresten) dat DGA’s konden afzien van salaris zonder dat er geheven kon worden over een fictief loon, hoewel de fiscus dat destijds wel beargumenteerd had. De fiscus was van mening dat geen weldenkend bestuurder van een BV afziet van salaris en wilde langs die weg dus komen tot een belastbaar fictief loon voor een DGA die (netjes op papier overigens) had afgezien van een beloning voor zijn arbeid. De Hoge Raad stelde de DGA in het gelijk.

Vervolgens duurde het tot 1993 voordat o.a. Staatssecretaris Willem Vermeend een wetsvoorstel had ingediend waarin de eerste lijnen van een gebruikelijk loonregeling duidelijk werden. Dat voorstel werd verworpen door de Raad van State om pas in 1997 terug te keren op de agenda en met succes.

De redenen? Het was onze overheid een gat in de schatkist dat DGA’s afzagen van salaris om zo een beroep te doen op sociale zekerheden en andere inkomensafhankelijke regelingen. Bovendien werd de vermogensbelasting ontweken (dat was tm 2000 een onderdeel van de inkomstenbelasting, dus niet het huidige box 3) omdat het geld in de BV bleef. Tot slot vond men het ongewenst dat belasting werd uitgesteld omdat het (fictieve) salaris niet belast kon worden. Per 1-1-1997 werd de gebruikelijkloonregeling (ook wel fictiefloonregeling of DGA-loon) een feit. We begonnen met een normbedrag van HFL 84.001. In Euro’s 38.118.

Sindsdien is het normbedrag in Euro’s gestegen als volgt:

2006:     39.000

2008:     40.000

2010:     41.000

2012:     42.000

2013:     43.000

2014:     44.000

Ziet u een tendens? Ik ook! Het gaat wel vlot de laatste drie jaren en we zijn er nog lang niet als het aan het huidige kabinet ligt. Hoewel het normbedrag in 2015 gelijk blijft (over het normbedrag maak ik me overigens geen zorgen, een lager loon bepleiten kan altijd nog!), ligt het voorstel er nu om bewijsvoering tot afwijkingen boven het normbedrag verder in het voordeel van de staatskas te versterken. Dat behoeft wat toelichting over de afwijkingen op het normbedrag. Van normen kan immers afgeweken worden.

Afwijken van het normbedrag omlaag

Dat kan uiteraard omlaag en omhoog. Omlaag is redelijk eenvoudig: bij u als DGA ligt de last om een lager loon dan de norm aannemelijk te maken. U kunt dat doen door een verzoek aan de belastingdienst te sturen waarin u (eventueel met bewijs) beargumenteert waarom uw loon lager moet zijn. Vergeet niet dat parttime werken niet zondermeer een argument is! De hoogte van het fictief loon komt in de wet niet voor als een fulltime salaris. Veelal is afwezigheid van voldoende omzet/winst een zuiver argument dat gehonoreerd zal worden. Daarom maak ik mij niet zo druk om het normloon.

Indien een gebruikelijk salaris van minder dan EUR 5.000 van toepassing is dan mág u daarvan geheel afzien.

Afwijken van het normbedrag omhoog

Best betaalde werknemer

Ten eerste mag uw loon niet lager zijn dan uw best betaalde werknemer (in het concern), tenzij u kunt aantonen waarom een bepaalde werknemer vanwege diens expertise of bijzondere vaardigheden een hoger loon dient te genieten dan u.

Vergelijking met gebruikelijke lonen in de ‘markt’

Een gebruikelijk loon boven de norm betekent dat de bewijslast bij de fiscus ligt. Zij zullen (met de wet in de hand overigens) moeten bewijzen dat voor uw werkzaamheden in de ‘markt’ een hoger gebruikelijk loon van toepassing is. Daar mag vervolgens een marge van 30% (de doelmatigheidsmarge) vanaf. De vergelijking wordt namelijk gemaakt met gelijkende functies van werknemers zonder aanmerkelijk belang. Binnen die 30% marge zal de fiscus uw loon niet mogen verhogen.

Bijvoorbeeld: is een gebruikelijk salaris voor uw werkzaamheden in de markt voor iemand waarbij het aanmerkelijk belang geen rol speelt EUR 100.000, dan mag u volstaan met EUR 70.000 en dus niet met het lagere normbedrag. De fiscus kan dan op haar beurt geen salaris van bijv. EUR 80.000 eisen want dat valt binnen de 30% marge.

Afroommethode

In 2004 is in de rechtspraak een – naar mijn mening zeer onsmakelijke – uitspraak gedaan door de Hoge Raad, bekend onder de afroommethode. In het kort kwam het erop neer dat een DGA die door eigen arbeid een fors inkomen voor zijn BV wist te verwerven ‘gestraft’ werd met een absurde benadering van wat voor hem een gebruikelijk loon was. In het kort werd zijn loon vastgesteld op:

75% x (winst holding BV voor salaris) x 70%. De 25% korting werd verleend voor zaken als toekomstige onzekere inkomsten, pensioenopbouw en investeringen. De 30% korting volgde uit de wet, namelijk de doelmatigheidsmarge.

De belastingdienst heeft de eerste korting, die van 25%, al enige jaren (zonder aanwijsbare reden of verklaring!) op 10% gezet in hun interne beleid.

Gelukkig is er door de Hoge Raad in 2011 wel weer paal en perk gesteld aan de afroommethode. Thans is de regel dat de afroommethode alleen toegepast kan worden als de verdiensten in de BV voor minstens 90% aan de DGA zelf zijn toe te wijzen. Dat zet veel eenmans-BV’s nog steeds op achterstand, maar heeft menig DGA met personeel of ingehuurde zelfstandigen uit de brand geholpen.

2015, “rupsje-nooit-genoeg?”

Voor 2015 zal – als de plannen doorgaan – uw DGA-loon uitkomen op 75/70e van uw loon van 2013 indien dat hoger was van EUR 43.000. Alleen als het aannemelijk is dat uw loon in 2015 hoger of lager hoort te zijn dan 75/70e van uw loon in 2013, dan kunt u daarvan afwijken.

Daarbij komt er ook een wezenlijke verandering in de wet: het gaat niet langer om 70% van een loon uit een vergelijkbare dienstbetrekking maar vanaf 2015 om 75% (!) van het loon uit een meest vergelijkbare dienstbetrekking.

Dat lijkt qua omschrijving weinig uit te maken maar het geeft de fiscus ineens een fors groter werkveld aan data om die ‘meest vergelijkbare dienstbetrekking’ te kunnen staven. Want laten we wel wezen: een ‘meest vergelijkbare’ dienstbetrekking is er altijd. En geen andere partij beschikt over meer data op dat gebied dan de fiscus.

Overigens herinner ik u er graag aan dat de Commissie Dijkhuizen in 2013 bij hun verkenningen van de hervorming van ons belastingstelsel al gehint heeft op een normbedrag van 90% van een vergelijkbare dienstbetrekking. Heeft u nog trek in uw eenmans-BV?

De ontwikkelingen: stok om de DGA de 52% IB mee in te slaan of nog steeds een historisch valide argument?

Zoals al aangegeven gaat het met de opwaartse ontwikkeling van het normbedrag in de laatste drie jaren hard. 7% stijging van het normbedrag in 3 jaar tijd. Dat valt vanuit het oogpunt van de inflatie wellicht mee, maar het doet geen enkel recht aan de negatieve spiraal waarin onze economie zich bevindt. Het lijkt wel alsof de overheid van mening is dat, wie onderneemt vanuit een BV, sowieso crisisbestendig is en dus dat hogere loon wel op kan brengen. Maar ik maak mij veel meer zorgen over de wijziging naar 75% van de meest vergelijkbare dienstbetrekking. Dat normloon kan op verzoek vaak wel omlaag, maar de ruimere marge voor bewijs voor een hoger DGA-loon waarvan de overheid zich ineens bedient, baart mij zorgen.

Maar deze weg is al in 2004 ingeslagen. De afroommethode doet geen enkel recht aan het voornemen van Staatssecretaris Vermeend om DGA’s te verplichten (fictief maar wel belastbaar) loon op te nemen uit hun BV omdat ze anders misbruik zouden kunnen maken van sociale voorzieningen, inkomensafhankelijke regelingen, ontwijking van vermogensbelasting en uitstel van belastingheffing. De afroommethode is (en op dat gebied kan ik de Hoge Raad van destijds ook echt niet volgen) een dikke vette stok om DGA’s zo ver mogelijk de 52% IB in te meppen.

En als die sinds 2011 geen uitkomst meer biedt voor menig DGA met personeel of ingehuurde krachten, dan gooit de overheid een nieuw houtje op het vuur door de marge te verkleinen en de omschrijving van ‘gebruikelijk loon’ te verbreden naar ‘meest gebruikelijk loon’.

Nee. Nu en ook al veel langer, is het fictief loon verworden tot een stok om mee te slaan. En wel zo hard dat een loon in de 52% IB-schaal het doel is. Liefst zo ver mogelijk. Want owee als je als DGA EUR 200.000 winst in je holding maakt en een loon opneemt van EUR 70.000. Dat kan net zo min door de beugel als 100 blijven rijden op een natte snelweg terwijl de borden schreeuwen dat je maar 90 mag als het regent.

Want tja: als je geen loon opneemt, dan blijft er winst in de BV achter en die kan via dividend ook naar privé. De effectieve heffing op dividend naar privé varieert van 40% tot 43,75%. Keert de DGA geen dividend uit dan kan de winst in de BV in beginsel oneindig geparkeerd worden, zelfs tot en met vererving van die BV aan nabestaanden. Hoewel de BV dan wel 20% VPB betaalt op het rendement op die extra liquide middelen.

Dus wil de overheid dat er – waar mogelijk – een salaris belastbaar is in de 52% (of zo ver als mogelijk in de 42%) IB in plaats van dat een DGA geen extra loon opneemt en gewoon dividend uitkeert. Dat scheelt de staatskas ergens tussen 12 cent en 8,25 cent op elke euro. En dat voor naar schatting 200.000 DGA’s. Waar hebben we het dan over op macro-economische schaal? Laten we voor de helft van die DGA´s het loon eens met 5.000 euro ophogen. Dat levert maximaal 12,5 cent per euro op. Bij 100.000 DGA´s dus 62,5 miljoen euro erbij in de schatkist. Trek daar de kosten voor handhaving en procedures vanaf en dan zien we dat onze overheid met compleet verkeerde zaken bezig is. Nog los van de vraag of het allemaal wel op te brengen valt door de BV´s en of die BV´s wel zo crisisbestendig zijn als nu klakkeloos aangenomen wordt.

Ziet u het verband nog met de redenen die ten grondslag lagen aan de invoering van het gebruikelijke loon? Nee, ik ook niet.

Tel daarbij op dat pensioen in eigen beheer ook fors scherper onder de aandacht ligt van de fiscus en dat die regelingen verder uitgekleed worden, dan blijft voor mij een raadsel over: wat wil de overheid toch van de DGA? Waarom zoveel energie steken in deze relatief kleine groep ondernemers en dat dan doen met zoveel tamtam en wederom complexere regels zonder uitzicht op een gezond rendement voor de schatkist, maar wel met uitzicht op een langdurig verblijf aan de binnenkant van de rechtszaal!?

Uw gok is zo goed als de mijne.

Zo kan het ook.

Elon Musk, multimiljonair, de man achter Paypal en Tesla Motors, genoot vorig jaar een salaris van USD 25.000. Het Californische minimum voor een DGA. Zo kan het dus blijkbaar ook.

Ik kreeg op Linkedin een mooie reactie op een eerder pleidooi over het DGA-loon, nota bene van een in Italië gevestigde Noor die lang in NL gewerkt en gewoond heeft: “Als we dan ook de belasting over dat DGA-loon terugkrijgen in de jaren dat we verlies lijden…”. Onhaalbaar maar omgekeerd geredeneerd aan wat de overheid van de DGA vraagt, helemaal geen onjuiste constatering.

Er zijn nu vier manieren om te kiften over het loon van de DGA. Vier! Normloon, afwijking naar beneden, afroommethode en straks de meest gelijkende dienstbetrekking.

Als het doel is om te zorgen dat DGA’s hun vingers uit de sociale potten en inkomensafhankelijke regelingen houden, dan zouden twee manieren moeten volstaan: een normloon en de mogelijkheid om een lager loon te bewijzen. Punt. Geen ijverig gepuzzel en gekonkel over wat een meest vergelijkbare dienstbetrekking is (de rechters krijgen het weer druk!) of zo’n misbaksel als de afroommethode. Zo kan het dus ook.

Mijn visie op het DGA-loon

En laat ik dan niet kinderachtig doen. Als je een BV als rechtsvorm kiest dan is een zeker winstniveau daarbij wenselijk (wellicht kun je anders beter een eenmanszaak of VOF aangaan vanwege de IB-voordelen). Discussies lopen uiteen van EUR 100.000 tot EUR 250.000 als omslagpunt voor een BV.

Laat ik eens opperen dat dan een DGA-loon op 60% van 100.000 moet liggen. Maar dus altijd met de mogelijkheid voor de DGA om een lager loon te bepleiten.

Kortom: het normloon omhoog naar EUR 60.000. Geen verdere discussie over een nog hoger loon maar wel de mogelijkheid voor de DGA om op basis van omzet/winst/starters-gegevens een lager loon te verzoeken. Wat natuurlijk in voorkomende, redelijke gevallen, gehonoreerd moet worden.

Een dag na de hoedjesparade en het belastingplan 2015 is ingediend bij de Tweede Kamer. Ik teken daar voor jullie ondernemers het volgende uit op, onder voorbehoud dat dit een plan is en dus niet al vaststaat dat onderstaande ook wet wordt:

Tarieven IB en heffingskortingen

Het tarief van de eerste schijf gaat omhoog naar 36,5% (nu 36,25%). In het nieuws is geweest dat het tarief verlaagd zou worden. Dat is de halve waarheid. Oorspronkelijk stond een percentage van 36,76% in de planning voor volgende jaar. Dus ten opzichte daarvan een verlaging.

De algemene heffingskorting gaat omhoog met 100 euro tot maximaal EUR 2.203. Voor hogere inkomens daalt deze weer tot EUR 1.342.

De maximale arbeidskorting bedraagt straks 123 euro meer op EUR 2.220. De maximale arbeidskorting voor hogere inkomens (vanaf 49.900) daalt stapsgewijs verder naar EUR 184.

Investeringsregelingen als de S&O aftrek en de RDA aftrek blijven ongewijzigd.

WKR: de werkkostenregeling

Het ziet er naar uit dat deze dan nu eindelijk verplicht gaat worden, zei het met wat aanpassingen. Zo was in de plannen tot nu toe een belastingvrije ruimte toegekend van 1,5% van de loonsom. Dat daalt nu naar 1,2%. Zie de website van de Rijksoverheid. Leuk detail is dat zaken als PC’s telefoons en tablets voortaan belastingvrij ter beschikking gesteld mogen worden, zonder dat er rekening gehouden hoeft te worden met privégebruik. De eis dat sommige zaken (zoals pc’s) minstens 90% zakelijk gebruikt moeten worden, vervalt.

!!DGA-Loon!!

Thans is het zo dat een gebruikelijk loon voor een DGA gesteld kan worden op 70% van een marktconforme beloning met een minimum van EUR 44.000 en/of het loon van de best betaalde medewerker. In 2015 gaat de doelmatigheidsmarge (die 30%) omlaag naar 25% zodat een DGA-loon dan gesteld kan worden op 75% van een marktconforme beloning.

Ik merk op dat de commissie Van Dijkhuizen vorig jaar in haar adviezen aan de overheid al zinspeelde op 90% van een marktconform loon. Gaat het die kant echt op dan wordt de eenmanszaak mogelijk plots weer aantrekkelijk. Het is wel duidelijk dat de overheid (al sinds 2004 na het arrest over de afroommethode) steeds een stap verder gaat in het optrekken van salarissen van DGA’s. Een slechte ontwikkeling als je het mij vraagt!

BTW renovatie en herstel woningen

Het huidige tarief van 6% op arbeid blijft in elk geval gehandhaafd tm 1 juli 2015.

Opnemen pensioen in derde pijler (zoals lijfrente) bij arbeidsongeschiktheid

ZZP-ers krijgen meer vrijheid om inkomen vanuit een bestaande lijfrente aan te vullen bij arbeidsongeschiktheid. Voorheen was dan revisierente verschuldigd (20%), doch daar wordt nu vanaf gezien. Exacte details ontbreken nog.

Buitenlandse geldboeten niet aftrekbaar voor IB/VPB

Als je nu met je auto van de zaak op vakantie over de grens tegen een prent aanloopt dan is die boete fiscaal aftrekbaar in je onderneming (alleen binnenlandse boetes zijn niet aftrekbaar). Per 2015 worden buitenlandse boetes (ook voor andere vergrijpen uiteraard) niet langer in aftrek toegestaan.

Weinig schokkends, hoewel de tendens t.a.v. het DGA-loon mij negatief opvalt.

Op herhaling, de VAR. De overheid knoeit er helaas rustig mee verder. Even een stukje geschiedenis om de trieste actualiteit te kunnen onderbouwen:

De Verklaring ArbeidsRelatie was destijds ingevoerd om de opdrachtgever enige mate van zekerheid te geven over de loonbelastinggevolgen bij de inhuur van zelfstandigen. Niet iedereen is immers zo zelfstandig als ze zelf beweren. De VAR was een poging om het kaf van het koren te scheiden. Naar mijn mening slechts een poging want door de introductie van 4 varianten riep de fiscus meer vragen over zich af dan dat ze konden beantwoorden. De 4 varianten zijn:

  1. VAR-Loon: het inkomen bij de opdrachtgever wordt gezien als loon uit dienstbetrekking. Dus geen ondernemerschap en de plicht voor de opdrachtgever om loonheffing in te houden op de betalingen aan de ‘zelfstandige’.
  2. VAR-ROW: Resultaat uit Overige Werkzaamheden. De opdrachtgever moet nu zelf beslissen of er sprake is van een dienstbetrekking of niet. De fiscus doet het in elk geval niet voor ze, maar mag er achteraf wel op terugkomen als de opdrachtgever iemand ten onrechte als ‘zelfstandige’ aangemerkt heeft. Goh, hoe zou uw opdrachtgever reageren op uw VAR-ROW? Precies. De VAR-ROW is waardeloos. Geen opdrachtgever die het risico van een verkeerde inschatting (wel/geen dienstverband) op zich wilt nemen!
  3. VAR-WUO: Winst Uit Onderneming. De VAR die uw opdrachtgever wil zien! Hiermee is hij namelijk gevrijwaard van loonbelastingellende. De fiscus is van mening dat u echt als ondernemer actief bent. Althans, afgaande op de antwoorden die u gegeven heeft op het aanvraagformulier….
  4. VAR-DGA: Directeur Groot Aandeelhouder. Ook een favoriet onder opdrachtgevers. Nu heeft u een eigen BV van waaruit u de opdracht voor de opdrachtgever verricht. Ook nu is de opdrachtgever gevrijwaard van loonheffing gevolgen. En ook nu is dat enkel gebaseerd op de antwoorden die u gaf op de aanvraag.

Wat kiest u in dit dilemma? U kunt een mooie opdracht binnenhalen maar alleen met een VAR-WUO of een VAR-DGA. U weet echter ook dat als u de VAR aanvraagt en u aangeeft dat er 1 tot 3 opdrachtgevers zijn, dat de kans groot is dat u een VAR-ROW krijgt. Hoe nu verder? Liegen tegen de fiscus om een VAR te krijgen die wel de opdracht verzekert of eerlijk zijn met het risico dat u de opdracht kwijtraakt?

2015

Het Ministerie van Financiën denkt aan deze impasse een einde te kunnen maken. Zie daar de VAR-webmodule. Een online VAR-aanvraag voor 2015 die u pér opdrachtgever (ja, dus niet voor u, maar voor élke relatie die een VAR verlangt afzonderlijk!) moet  invullen én waarvan de uitkomst bindend is. Voor u EN voor uw opdrachtgever! Goed idee! Een VAR waarvoor de opdrachtgever op voorhand verantwoordelijkheid neemt voor eventuele naheffingen loonbelasting! Ja dat leest u goed. Uw opdrachtgever tekent richting de fiscus op voorhand af dat de fiscus mag naheffen bij ze als de VAR-module onjuist is ingevuld.

En dat dan voor elke ingeleende zelfstandige! Voor sommige opdrachtgevers (waaronder nota bene de Belastingdienst zelf!) zal dit leiden (lijden) tot een karrevracht aan VAR-module-aanvragen…

En voor veel zelfstandigen ook. Tot nu kon je volstaan met één VAR voor al je opdrachtgevers. Vanaf 2015 moet je er voor elke relatie een aanvragen. Hoe zat dat ook alweer met de gewenste administratieve lastenverlichting?

Waar ik me meer zorgen om maak is het aantal opdrachtgevers dat niet meer wil werken met zelfstandigen die volgens de webmodule-uitkomst geen VAR-WUO of VAR-DGA krijgen. U wordt er niet minder zelfstandig op maar uw opdrachtgever moet wel vooraf aanvaarden dat, indien u niet zo zelfstandig blijkt te zijn naar de maatstaven van de fiscus, het diens probleem is. Welke opdrachtgever zit daar nu op te wachten? Of kunnen we de gewenste VAR (WUO of DGA) straks net zo makkelijk verkrijgen als nu door gewoon te liegen op de aanvraag?

En als dat zo is, waar is de overheid dan mee bezig? Wat doet de webmodule dan straks wat een PDF of digid-aanvraag nu niet doet? Ja, de opdrachtgever neemt verantwoordelijkheid en nee dat willen ze niet. Het kan dus twee kanten op. Of de webmodule kent een gat waardoor per opdrachtgever nog steeds de gewenste VAR aangevraagd kan worden (“heeft u naast deze opdrachtgever nog minstens 3 andere opdrachtgevers: ja) of opdrachtgevers slaan het VAR-traject over en nemen het risico wel zonder dat ze vooraf zichzelf ophangen aan de gevolgen van een onjuiste beoordeling in de webmodule.

En hoe gaat de fiscus dan verklaren dat zij honderden ICT-ers op freelancebasis inhuren. Geeft de fiscus dan het goede voorbeeld en doen ze dat openbaar?

Remedie: VAR-JA en VAR-NEE

Ik heb het vaker geopperd. Naar mijn mening kunnen er maar twee VAR’s zijn: VAR-JA en VAR-NEE. Ja, u bent zelfstandig en Nee u bent in loondienst. Geen gezeur met rechtsvormen en al dan niet fiscaal ondernemerschap of resultaat uit overige werkzaamheden. Naar mijn mening is de vraag of u een ondernemer bent voor de fiscus een aangelegenheid voor de afdeling inkomstenbelasting/vennootschapsbelasting en niet voor de afdeling loonheffing.. De afdeling loonheffing hoeft alleen maar Ja of Nee te zeggen.

Is dat nou zo moeilijk??

Een nieuwe dienst verdient een nieuwe blogpost. Denarius Advies richt zich op corporate finance. Ik licht graag toe.

In de afgelopen 15 jaar heb ik vele ondernemingen van binnen en van buiten, tot in detail, gezien. Ondernemingen die succesvol zijn en ondernemingen die amper boven water bleven. Ondernemingen met alleen een ondernemer en ondernemingen met dertig miljoen aan omzet en veertig man personeel en alles daar tussenin. Daarbij is vaak om mijn expertise gevraagd bij herstructurering van de onderneming als ook bij advisering over mogelijke samenwerkingsverbanden en het aantrekken van investeerders.

Rode draad in vrijwel alle trajecten was het aantrekken van financiering. Vaak om groei te kunnen realiseren en even zo vaak als laatste redmiddel om een onderneming van onder water weer terug boven water te brengen. In mijn betrokkenheid heb ik financieringsaanvragen in vele vormen en gedaanten mogen beoordelen. Wat ik gezien heb, varieerde van ronduit onkundig tot vrijwel perfect.

Over de gehele linie gemeten is mijn mening: “dat kan flink beter”. Op internet is prima te achterhalen wat er zoal in een financieringsaanvraag moet staan, welke stukken daarbij gaan en waar investeerders en banken op letten. Daar zit het probleem doorgaans niet. Het gaat vaak fout bij de inhoud van de aanvraag. Het simpele geschreven woord en getal. En simpel is dan vaak het probleem.

Menig aanvraag is zo karig dat een investeerder of bank deze meteen terzijde schuift. Als je geen bereidheid toont om een serieuze aanvraag in te dienen dan is een bank of investeerder net zo min bereid om deze te lezen. Is de aanvraag wel compleet, dan zou meer aandacht geschonken mogen worden aan wat er geschreven wordt. Los van taalfouten en rekenfouten, zie ik nog steeds dat in menig aanvraag informatie uit paragraaf A strijdig is met informatie uit paragraaf B of (erger nog) strijdig met informatie uit de bijgeleverde (formele) stukken zoals jaarrekeningen en contracten.

Met het besef dat een aanvraag maar een keer ingediend kan worden, hoop ik dat u inziet dat een goede financieringsaanvraag ontdaan is van verbandsfouten. De informatie op pagina X moet (naast dat deze correct moet zijn) kloppen met hetgeen daarover vermeld is elders in de aanvraag en de bijgevoegde stukken. Dat vereist een scherpe en kritische blik.

Tot slot een opmerking van algemene aard: weet wat u indient! U bent de ondernemer en dus de aanbieder van de aanvraag. Verwacht kritische vragen en bereid u daarop voor. Ken niet alleen de inhoud van de aanvraag en de bijlagen maar zorg dat u ook weet wat die cijfers en woorden betekenen. Niets is bij financieringen zo kansloos als een ondernemer die niet weet hoe zijn bedrijf financieel en juridisch in elkaar steekt.

Succes!