“Omslagpunt” eenmanszaak of BV. Hoe zit het nu echt?

Een ton winst? Of toch twee ton winst? Of zelfs al vanaf 70.000 winst de BV in? Op internet kun je eindeloos meningen en berekeningen lezen over wanneer een BV volgens de schrijver fiscaal voordeliger is dan een eenmanszaak, ook wel het omslagpunt genoemd. Met dit artikel hoop ik je de juiste inzichten te geven die er wel (en ook) toe doen. En laat ik de uitkomst vast verklappen: er is niet een algemeen omslagpunt! Punt, uitroepteken, einde discussie.

Maar eerst de vrijwaringen van mijn zijde over dit artikel:

De hoogte van de winst is bij de keuze tussen een BV of een eenmanszaak (of VOF bij meerdere ondernemers, dat werkt hetzelfde, maar herhaal ik vanaf hier niet meer) niet per se zaligmakend. Er kunnen argumenten zijn om te kiezen voor een fiscaal nadeel (hogere belastingheffing door de BV bij een lagere winst), zoals: scheiding risico en zakelijk bezit, scheiding zakelijk en privébezit, investeerder aan boord halen of verkoop van de onderneming. Echter, als de winst “hoog genoeg” is, kan het op zichzelf evenwel een prima argument zijn om een BV te kiezen. In dit artikel ga ik niet in op de andere argumenten, zie daarvoor elders op mijn blog, maar beperk ik me tot het ontvlechten van alle lianen die intussen het oerwoud van meningen hebben gemaakt over “het omslagpunt”.

Tarieven hieronder zoals die gelden vanaf 2021. Getallen afgerond op duizendtallen (k van kilo).

Een BV kent doorgaans hogere kosten van onderhoud (jaarrekeningen, loonadministratie, deponering KvK) dan een eenmanszaak. Bovendien heb je vaker 2 BV’s tegelijk met dus dubbele kosten. Komt je uiteindelijke berekening – na toegepast te hebben wat je hieronder leest – uit op een duizendje (of twee) fiscaal voordeliger voor de BV, reken je dan niet meteen rijk. Die ben je zo weer kwijt aan die extra kosten.

Tot slot ga ik er vanuit dat we te maken hebben met een eenmanszaak (EMZ) waarin voldaan wordt aan het urencriterium van 1.225 uur per jaar en dat de winst stabiel hoog genoeg is om überhaupt over een BV na te denken. Kort toegelicht: bij een incidenteel topjaar meteen omgaan naar een BV gevolgd door jaren doorgaan in een BV met lage(re) winsten is doorgaans duurder dan in je EMZ blijven. Nog los van alle kosten om de herstructurering te realiseren.

Wat vergelijken we eigenlijk met elkaar?

Daarvoor moeten we eerst kijken naar de opbouw van de belastingheffing bij een eenmanszaak versus die van een BV. Het winstbegrip is voor beiden gelijk. Omzet min kosten is winst en over de winst wordt belasting berekend. Echter, hier ontstaan meteen al wel verschillen. De hoogte van de belastbare winst is namelijk niet hetzelfde. Zo kennen we in de BV een salaris voor de werkende eigenaar (DGA-loon/fictief loon/gebruikelijk loon) en in de eenmanszaak niet en kennen we in de eenmanszaak aftrekposten die ontbreken in de BV.

Het gaat omwille van de leesbaarheid van dit artikel te ver om die verschillen in dit artikel gedetailleerd uiteen te zetten. Bovendien reken ik er enigszins op, dat als je dit artikel leest, je wel bekend bent met de volgende plus- en minpunten:

Eenmanszaak:

+ zelfstandigenaftrek (7K), 14% MKB-winstvrijstelling (winst na 7k zelfstandigenaftrek x 14%);

– alle winst belast, toptarief 49,5% inkomstenbelasting.

BV:

+ tarief vennootschapsbelasting (VPB) 15% tot 200k winst en 21,7% boven 200k, niet alle winst hoeft naar privé uitgekeerd (uitstel heffing box 2 ad 26,9%);

– verplicht salaris opnemen (46k per jaar of 75% van meest vergelijkbaar loon in de markt), duurder in jaarlijkse kosten (zie vrijwaringen hiervoor).

Ik laat voor nu bewust zaken als: startersaftrek, oudedagsreserve, lijfrentes, pensioenregelingen en andere aftrekposten en bijtellingen buiten beschouwing. Die zijn namelijk optioneel of maar beperkt van toepassing. De genoemde plus- en minpunten gelden voor vrijwel alle vergelijkingen. Op de optionele zaken kom ik uiteraard later nog terug, want ze maken weldegelijk verschil.

De vergelijking

In de basis is de vergelijking als volgt samen te vatten: Als ik in een eenmanszaak X winst maak, ben ik dan in een BV fiscaal voordeliger uit doordat de BV lagere belastingtarieven kent, ondanks dat ik dan de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling opgeef en ik verplicht ben een DGA-loon op te nemen? Kun je dan X uitreken?

Voorbeeld 1: een (te) kort door de bocht benadering

Laten we eens uit de losse pols reken via die vergelijking:

Winst in de EMZ is 200k. Een verdedigbaar DGA-loon is 70k. In de BV keren we alle winst uit als dividend. Het DGA-loon van 70k is met IB gelijk belast als 70k winst in de EMZ, dus die laat ik buiten beschouwing. Wat gebeurt er nu feitelijk?

Je neemt afscheid van de zelfstandigenaftrek van 7k en de 14% MKB-winstvrijstelling van 27k. Samen 34k welke in het hoogste IB-tarief valt van 49,5%. Is essentie neem je dus afscheid van bijna 17k netto belastingvoordeel. Dat zul je terug moeten verdienen door de lagere tarieven van de BV.

In de BV heb ik na het DGA-loon van 70k een winst over van 130k. Die wordt belast met 15% VPB. Na die VPB resteert voor dividend 110k. Nogmaals, appels met appels vergelijken want in de EMZ is de winst na de IB ook geheel netto privé. Dus ik keer 110k dividend uit. Belasting 26,9% via box 2 (= 30k), zodat ik netto over heb 80k dividend.

Van 130k winst naar 80k netto dividend is effectief een belastingdruk van 38,5%. In de EMZ was dat tarief 49,5%. In de BV ‘verdien’ je dus 11% en wel over 130k (winst min DGA-loon) = 14.300 netto door een lager tarief.

Snel gerekend, neem je dus afscheid van 17k netto aan aftrekposten en krijg je er 14k netto aan lagere tarieven voor terug. De BV is dus 3k duurder qua belastingheffing.

Nu zou je dus kunnen denken dat het omslagpunt verder weg ligt dan 200k winst. Maar wat als je in deze vergelijking kunt volstaan met een verdedigbaar DGA-loon van 46k? Dan heb je in de BV ineens (200-46=) 154k winst over tegen nog steeds 11% lagere tarieven = 17k netto. Wat weer gelijk is aan de netto aftrekposten in de EMZ. Dus je zóu kunnen zeggen dat bij een 46k DGA-loon “het omslagpunt” op 200k winst ligt.

Voorbeeld 2: naar de BV toerekenen door geen dividend uit te keren

Als voorbeeld 1 met weer 70k DGA-loon. Nog steeds geef je 17k aan netto EMZ aftrekposten op, maar als je vanuit de BV geen dividend uitkeert, betaal je in de BV slechts 15% VPB over 130k winst. Dat is een verschil van 34,5% (49,5 – 15) met de IB in de EMZ over 130k = 45k netto. De BV is (lijkt) dus 28k netto voordeliger. Ja dat lees je goed en nee, dat is geen reële vergelijking. De in de BV achtergehouden winst zal ooit een keer via box 2 afgerekend moeten worden. Is het niet door jou, dan wel door je erfgenamen. Wat je in deze vergelijking eigenlijk zegt, is dat je 28k belasting weet uit te stellen, niet te besparen. Of ligt rekenen zonder dividend toch wat genuanceerder?

Gemankeerde berekeningen?

Mankeert er dan iets aan die berekeningen? Liegen auteurs op websites dan als ze het hebben over omslagpunten van 400k of 100k? Dat hangt dus van de definitie van omslagpunt af. Websites waarop je leest dat een BV al vanaf 100k winst voordeliger is, gaan uit van het achterhouden van winst in de BV, dus geen dividend. Websites die melden dat de BV pas vanaf 400k winst voordeliger is, gaan uit van een hoger DGA-loon en/of alle dividend uitkeren. Stel jezelf vervolgens gerust de vraag of de auteur van het artikel wel objectief is, want er mankeert weldegelijk iets aan dergelijke “dit is hét omslagpunt” schrijfsels.

Het antwoord op die vraag is: “jouw situatie”. Dat mankeert eraan. Je kunt geen simpele module invullen die je de weg naar Rome wijst. Je kunt geen berekening maken zoals in de voorbeelden 1 en 2 hiervoor en dan roepen dat dat de uitkomst is. De variabelen zijn namelijk talrijker dan hiervoor genoemd. Laat ik de belangrijkste variabelen echter eerst eens nader beschouwen:

  1. Het DGA-loon.
  2. Dividend uitkeren ja of nee.

Ad 1: hoe lager ik in de berekening het DGA-loon stel, des te lager komt het omslagpunt te liggen. Je zag het al in voorbeeld 1 toen ik van 70k DGA-loon naar 46k ging. De BV ging daardoor van 3k duurder naar even duur. Dat is ook logisch. Hoe lager het DGA-loon, des te meer winst valt er in het lagere gecombineerde BV-tarief van de vennootschapsbelasting en box 2. En daar zit de crux. Hoe aannemelijk is een DGA-loon van 46k bij een winst van 200k?

Voor de hoogte van dat salaris gelden namelijk allereerst de regels van het gebruikelijk loon. De winst is op zich niet zaligmakend, maar wel een indicatie. Een eigenaar van een bedrijf waarin hij werkzaamheden verricht, die in de markt een vergelijkbaar loon opleveren van 100k, zal doorgaans niet onder de 75k DGA-loon (minstens 75% van het loon uit een meest vergelijkbare dienstbetrekking) kunnen zitten.

Omgekeerd kan het zijn dat een onderneming met vooral passief inkomen (weinig feitelijke arbeid) wel weg kan komen met 46k DGA-loon bij een winst van 200k. Het zit in de details. Dus zul je al vanaf stap 1 moeten bezien hoe hoog het toepasselijk DGA-loon dient te zijn.

Ad 2: Zelfs als je met een relatief hoog DGA-loon te maken hebt, kun je de berekening in het voordeel van de BV maken door, zoals bij voorbeeld 2 getoond, dividend achterwege te laten. Het scheelt nogal of je wel of geen dividend uitkeert: 15% VPB gevolgd door 26,9% box 2 = effectief 38,5% bij wel dividend uitkeren versus enkel 15% VPB zonder dividend. Ten opzichte van de EMZ een verschil tussen 11% voordeel of 34,5% voordeel.

In omgekeerde zin kan dividend ook een rol spelen. Als je wel wegkomt met 46k DGA-loon dan wil dat nog steeds niet zeggen dat de BV het wint van de EMZ. Want als je een netto privé inkomensbehoefte hebt van 4k per maand, dan kom je met 46k bruto jaarsalaris simpelweg fors aan netto-inkomen tekort. Dat kun je bijvoorbeeld aanvullen met dividend, maar dan schuift het omslagpunt ineens weer op naar boven. Immers, over elke euro dividend is het voordeel geen 34,5% meer maar nog maar 11%.

Andere variabelen

Die zijn er natuurlijk ook. Zo wordt de belastingdruk beïnvloed door bijvoorbeeld:

  • Gebruik maken van de Oudedagsreserve;
  • Premies voor AO-verzekeringen en lijfrente;
  • Premies voor pensioen (extern bij een BV);
  • Auto van de zaak;
  • Ander inkomen van de DGA in box 1 (!).

Als je een OR (voorheen FOR) opbouwt in je eenmanszaak dan zul je in de vergelijking met de BV ook een premie voor een extern pensioen mee moeten nemen. Auto van de zaak kan er in de EMZ toe leiden dat de bijtelling voor privégebruik gelijk is aan de werkelijke autokosten, terwijl de bijtelling voor diezelfde auto in de BV die maximering niet kent en dus hoger kan uitvallen. Omgekeerd kan het zijn dat je in de EMZ premies voor een AO (arbeidsongeschiktheidsverzekering) betaalt, terwijl je er in de BV situatie vanuit gaat dat je, door geen dividend uit te keren, eerder vermogen in de BV opbouwt waarmee je meer financiële armslag creëert en daardoor wellicht eerder afscheid kunt nemen van je AO-polis. En tot slot kan winst uit een EMZ, die gerealiseerd wordt terwijl de ondernemer daarnaast in loondienst werkt, soms al sneller aanleiding zijn om voor een BV te kiezen, zeker als de EMZ niet in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek.

En last but not least de factor ‘tijd’.

Wat ik vrijwel steevast mis in de vergelijking is de factor tijd. Het enige dat vaak in tijd meegenomen wordt in de advisering is het antwoord op de vraag of de winst al enige tijd stabiel en hoog genoeg is. Daarmee zal een adviseur in elk geval willen voorkomen dat hij een cliënt een duur traject in adviseert, dat slechts een jaar of wellicht twee jaar houdbaar is.

Nee, ik kijk vooruit en bedoel met tijd vooral wat je in de komende jaren verwacht. Een tipje van de sluier zag je hiervoor al bij het argument om geen dividend uit te keren ten gunste van een snellere vermogensopbouw in de BV om bijvoorbeeld eerder afscheid te nemen van je AO-polis.

Het is namelijk soms helemaal niet verkeerd om in de vergelijking dividend, al dan niet deels, achterwege te laten. Mits je daartoe een gegronde reden hebt die zich in de nabije toekomst voordoet!

Denk eens aan de volgende redenen:

  • Sneller vermogen opbouwen omdat je moet investeren in je bedrijf;
  • Sneller vermogen in je BV opbouwen zodat je kunt beleggen als oudedagsvoorziening (ipv pensioenpremie storten) in vastgoed of een eigen woning;
  • Sneller vermogen opbouwen in de BV om schulden af te betalen;
  • Sneller vermogen opbouwen om de BV aantrekkelijker te maken voor een investeerder;
  • Of de DGA interesseert zich alleen voor belastingdruk tijdens zijn leven en laat de box 2 heffing aan zijn nabestaanden (niet altijd valide, maar ik ken ze).

En soms moet je juist rekening houden met dividend uitkeren, ook al zou je dat om voorgaande redenen niet willen, omdat de DGA van het berekende netto DGA-salaris simpelweg niet rond kan komen of omdat de voorgaande opsomming simpelweg niet van toepassing is.

Kortom

Om te komen tot een goed onderbouwd advies is het dus zaak dat de persoonlijke situatie bepaald wordt en dat dan de belastingdruk tussen EMZ en BV geheel doorgerekend wordt. Dat wil zeggen tot op de euro. Daarbij spelen de hoogte van het toegepaste DGA-loon en (al dan niet of deels) dividend uitkeren de hoofdrollen. Juist van die twee variabelen is een gedegen onderbouwing noodzakelijk, waarbij voor de factor dividend het gegeven tijd een belangrijke rol speelt in je keuzes. Maar vergeet vooral de bijrollen niet en te komen tot een persoonlijk omslagpunt.

Er is maar een manier om de belastingdruk tussen EMZ en BV goed te vergelijken en dat is door álle financiële én persoonlijke variabelen mee te nemen in het meest aannemelijke scenario en die dan door te rekenen naar belastingheffing voor de EMZ en BV naast elkaar.

Zo zal voor de een een omslagpunt blijken van 100k winst en voor de ander een omslagpunt van 500k winst. En voor ieder ander een bedrag daar tussenin, of erboven, of eronder…..

Eén BV is geen BV. Hoe zit dat?

Een bekend gezegde voor ondernemers met een BV luidt “Eén BV is géén BV!”. Waarom is dat en gaat de stelling altijd op?

Wat wordt bedoeld met het gezegde?

Je kunt het gezegde ook lezen als: “Als je gaat ondernemen vanuit één BV kun je net zo goed geen BV nemen als rechtsvorm”. Weer anders gezegd: “ondernemen vanuit één BV geeft je juist niet alle voordelen die je beoogt te halen met de BV als rechtsvorm”. Kennelijk heb je dus minimaal twee BV’s nodig. Hoe zit dat?

Functies van een BV

Drie van de belangrijkste redenen voor ondernemers om te kiezen voor de BV als rechtsvorm zijn de volgende:

  1. Scheiding tussen privé en zakelijk;
  2. Scheiding tussen bezit en risico;
  3. Onbelaste verkoopwinst bedrijf.

De jaarlijkse belastingdruk laat ik hier buiten beschouwing omdat dat geen rol speelt in het gezegde. Ook leest u nog wel eens ‘beperking van aansprakelijkheid’. Dat laatste is in mijn visie niet juist. Ga je de fout in als onderneming dan ben je daar aansprakelijk voor, ongeacht de rechtsvorm. Het gaat er bij een BV juist om dat je privé niet geraakt wordt voor zakelijke fouten en dus val je in dit verhaal terug op nummer 1 hiervoor.

Het gezegde gaat op voor punten 2 en 3. Onderneem je met één BV dan mis je de voordelen van punten 2 en 3. Als volgt:

Ad 1:

Een BV is een juridisch zelfstandige entiteit. Gaat er in de BV iets mis (schadeclaim, schulden blijven onbetaald) dan is de aansprakelijkheid in beginsel beperkt tot de BV zelf. Kan de BV niet betalen, dan houdt het doorgaans daarmee op, tenzij je als bestuurder van de BV je dermate gedragen hebt (of iets nagelaten hebt) waardoor die aansprakelijkheid alsnog naar privé verlegd kan worden. Denk daarbij aan handelen of nalaten waarvan je als bestuurder van de BV had moeten of kunnen weten dat de BV daardoor niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Duidelijke voorbeeld is het leegtrekken van een BV, al dan niet via dividend of rekeningcourant terwijl de overige schuldeisers niet betaald worden.

Door te ondernemen vanuit een BV breng je dus een scheiding aan tussen je privébezittingen (en eventueel die van je partner bij gezamenlijk eigendom) en je onderneming, mits je geen verkeerde beslissingen neemt en de BV netjes blijft voldoen aan haar verplichtingen. Dat werkt inderdaad ook met één BV.

Ad 2:

“Mooi, ik heb een BV. Privé en zakelijk zijn gescheiden, mij kan niets gebeuren!” Fout. Hier gaat het gezegde namelijk op. Je kunt jaren achtereen mooie winsten boeken in je ene BV. De zaak draait goed, het banksaldo is rustgevend en dan komt die ene claim binnen die al het werk van de laatste jaren in een klap van tafel veegt.

Door te werken met één BV heb je de winsten van de afgelopen jaren in dezelfde BV opgepot als waarin de risico’s van het ondernemen zelf schuilen. Je hebt de winsten dus in de risicosfeer van je activiteiten gehouden. Een schadeclaim vang je doorgaans op met goede algemene voorwaarden (met beperking van aansprakelijkheid) in combinatie met een degelijke verzekeringsoplossing voor aansprakelijkheid.

Maar niet zelden worden de algemene voorwaarden niet correct ter hand gesteld en van toepassing verklaard of accepteert de wederpartij jouw voorwaarden simpelweg niet en heb je van doen met de inkoopvoorwaarden van je klant. En als het dan misgaat, heb je dus geen steun voor beperking van je aansprakelijkheid.

Stel dat je ene BV een banksaldo heeft van 400k. En stel je een schadepost inclusief gevolgschade van 1 miljoen voor, terwijl je polis dekking biedt voor 500k. Wat gebeurt er dan? Dan is je ene BV met al haar opgepotte winsten ineens 400k lichter. Jaren voor niets gewerkt.

Ad 3:

Je hebt het 20 jaar overleefd met je ene BV en komt in contact met een koper. Hij stelt voor de aandelen van jouw ene BV te kopen voor 1 miljoen. Deal en kassa voor de fiscus: 250k afrekenen in box 2 IB en daarna jaarlijks box 3 afrekenen over de resterende 750k bezit. De aandelen in de ene BV waren immers in bezit van jou privé. Verkoop je ze, dan ontstaat een afrekenmoment in box 2.

Kom maar door met die tweede BV

Dus je kunt op dit moment concluderen dat een tweede BV een oplossing biedt voor punten 2 en 3. Dat klopt en wel door twee BV’s op te richten. De eerste BV noemen we Holding BV. De tweede BV noemen werkmaatschappij, kortweg werkmij. Samen wordt ook wel gesproken van een Holdingstructuur. Jij privé richt de Holding op en de Holding richt de werkmij op. Daarmee ontstaan de voordelen van 2 en 3.

Ad 2:

Nu heb je een extra scheiding aangebracht tussen de risico’s van het ondernemen (in de werkmij) en het oppotten van winsten (in de Holding). Dat realiseer je doorgaans door het volgende te doen:

Holding verhuurt jou als manager aan werkmij. Periodiek stuurt Holding werkmij daarvoor een factuur. Die kosten drukken de winst in werkmij en zorgen ervoor dat de winst in feite verplaatst wordt naar de Holding, want daar wordt het omzet.

Legaal? Jazeker, gewoon common practice. Fullproof? Mits je geen idioot hoge fees in rekening brengt waarmee je de werkmij in haar voortbestaan bedreigt, is dit prima mogelijk.

Als na al die mooie winstjaren een claim binnenkomt bij de wermij dan is het vermogen van de Holding in beginsel gevrijwaard. Let er wel op dat de werkmij geen vorderingen heeft op de Holding (die worden anders geïncasseerd) en uiteraard geldt ook hier het stuk over bestuurdersaansprakelijkheid.

Ad 3:

En als na X jaar die koper aanklopt en 1 miljoen biedt, dan sluit je lachend de deal, wetend dat een stukje wetgeving met de naam ‘deelnemingsvrijstelling’ dat mooie miljoen in eerste aanleg onbelast laat. Jouw Holding BV verkoopt nu de aandelen in de werkmij. Onder de deelnemingsvrijstelling ontvangt de Holding BV de koopsom onbelast. Dat heeft als voordeel dat je heffing over uitkeringen naar privé uitstelt totdat je zelf besluit om een uitkering van dividend te doen. Doe je geen dividenduitkeringen aan privé dan beschikt je Holding dus over 1 miljoen (vergelijk privé 730k bij één BV) om bijvoorbeeld opnieuw te investeren of uit te lenen aan je voor de koop van een woning (om maar een voorbeeld te noemen). Tot slot neemt je vermogen in box 3 door de verkoop niet toe, wat weer vermogensrendementsheffing scheelt.

Meer dan twee BV’s?

Soms is dat nuttig. Sowieso als er meerdere aandeelhouders zijn, aangezien elke aandeelhouder veelal zal kiezen voor een eigen Holding. Maar ook een aparte (tussen)holding voor bijvoorbeeld vastgoed of intellectuele eigendomsrechten (IP) kan nuttig zijn. Dergelijke waardevolle bezittingen zijn vaak het gezamenlijk eigendom bij meerdere aandeelhouders. Die aandeelhouders zullen deze bezittingen doorgaans niet in één van beide persoonlijke Holdings willen plaatsen en zeker niet in de werkmij. Om dat op te lossen wordt tussen de persoonlijke Holdings en de werkmij nog een BV geplaatst (vandaar tussenholding). De eigendom van die tussenholding ligt dan bij de persoonlijke Holdings. De tussenholding wordt op haar beurt weer eigenaar van de werkmij.

Winsten in de werkmij worden dan naar de tussenholding verplaatst door facturatie van huur (vastgoed) of licentievergoedingen (IP-rechten), op vergelijkbare wijze als managementfee.

Klopt de stelling dan altijd?

Nee. Er zijn situaties denkbaar waarin 1 BV volstaat. Denk maar aan een BV waarin geen winst achterblijft omdat de aandeelhouder het steevast opneemt als loon en/of dividend. Als in die BV de activiteiten ook geen aansprakelijkheidsrisico met zich meebrengen en de BV zal waarschijnlijk nooit verkocht worden (bijvoorbeeld BV met 1 werkzame persoon op uurtje-factuurtje basis), dan kan prima volstaan worden met één BV.

Tot slot

Dit artikel is bedoeld om de functie van een Holdingstructuur te duiden. Uiteraard staat elk dossier op zich en verschillen de details en dus ook de mogelijkheden. Het gaat te ver om hier alle opties te behandelen, maar ik hoop je hiermee een goed inzicht te hebben gegeven in het nut van een holdingstructuur en de nadelen van die ene BV.

Yes, een investeerder. Maar waar moet ik op letten?

Mooi idee, goed idee, maanden, nee jaren ontwikkelen, net genoeg uurtjes kunnen steken in externe opdrachten, maar toch brood met kaas voor diner, avonden doorhalen, weekenden bezet, sociaal leven (buiten media) op nul en dan komt hij/zij: de investeerder! Ik ben gezien! Ik ben opgemerkt! Iemand gelooft in mij! Met hun hulp ga ik doorbreken! Mijn idee met hun marketingbudget is goud! Klinkt bekend? Of hoop je dat het snel bekend gaat klinken? Pauzeer even en lees hieronder goed door waarop je nog beter bedacht moet zijn!

Waar heb ik het over?

Start-ups. Zolderkamerpezers, nachtbrakers, rotsvast geloof in wat ze maken, op zoek naar erkenning, exposure en succes. De doorbraak waarop ze al die maanden en jaren hoopten. Maanden en jaren van weinig inkomen en maar bouwen aan hun product. Ja, app-ontwikkelaars, webshopbouwers, luxe goederen en trendy artikelen, al dan niet consumeerbaar. Veelal raken ze de kern van wat de markt vraagt, maar hoe kom je van je zolderkamer af? Een idee zonder geld is waardeloos. Een product zonder geld idem dito. Vier jaar werken aan een concept, idee of product is niet zeldzaam. En dan ineens wordt je opgemerkt: jouw idee is volgens de geïnteresseerde investeerder precies wat zijn portfolio nodig heeft. Het is uniek, baanbrekend, geschikt voor een niche- of groeimarkt en met zijn/haar geld wordt het schaalbaar. En schaalbaarheid is de sleutel (of het toverwoord zo je wilt) tot een toekomstige exit op 6 of 7 cijfers voor de komma.

Waarom dan pauzeren?

Omdat investeerders ook niet gek zijn. Jij hebt iets en zij willen er iets mee, omdat zij geloven dat wat jij hebt, hen verder zal helpen in euro’s. Het is niet zeldzaam dat de ondernemer verblind raakt door wat een investeerder aanbiedt: veel geld, netwerk, kennis, marketing, expertise in de branche. Je droom komt uit nog voordat er getekend is. Maar is dat wel zo? Als de rook van alle euforie opgetrokken is, waar heb je dan precies voor getekend?

Weet wat je ‘verkoopt’!

Laat ik voorop stellen dat een BV de geijkte rechtsvorm is. Het lijkt zo simpel: je maakt van je eenmanszaak een BV en de investeerder biedt bedrag X voor Y procent van de aandelen en zolang hij geen meerderheid van de aandelen verlangt, zit je goed. Toch? Elke BV kent twee essentiële pijlers: recht op winst en recht op invloed (stemrecht). Hoe komen investeerders dan vaak weg met een minderheid van de aandelen en toch een enorme invloed? En waarom zie je als ondernemer soms niets terug van het geld dat de investeerder stort in de BV? Het zit in de details.

De basics: standaard BV-structuur

Veelal zal de structuur van je onderneming na de participatie er als volgt uitzien: jij richt een Holding BV op. De Holding BV richt een tussenholding op waarin het IP gehouden wordt, de tussenholding richt een werkmaatschappij op waarin het IP geëxploiteerd wordt. Voor dat laatste verleent de tussenholding aan de werkmaatschappij een licentie. De investeerder zal willen instappen in de tussenholding, zodat ook het IP mede zijn eigendom wordt. Een goed uitgebouwd en geëxploiteerd IP is niet zelden het meest waardevolle bezit van de onderneming en dus de cash cow bij verkoop. En aangezien het IP zelf verkopen betekent dat er vennootschapsbelasting betaald moet worden, zal bij een exit de tussenholding in zijn geheel verkocht worden (aandelenoverdracht) zodat de deal onder de deelnemingsvrijstelling onbelast blijft!

Een fictief voorstel

Laten we voor de rest van deze column uitgaan van het volgende voorstel:

1. Investeerder verkrijgt 40% nieuwe aandelen in de tussenholding tegen 200k.

2. in de aandeelhouders- of participatieovereenkomst (niet zelden geheel in het Engels opgesteld) kom je (in afwijking van de statuten/oprichtingsakte) de volgende termen tegen:

– versterkt stemrecht van 65% (qualified majority of votes);

– tag along;

– drag along;

– aanbiedingsplicht (mandatory offer of shares or obligation to offer shares);

– bad leaver;

– non-concurrentie-, non-relatie-, anti-ronselbedingen en verbod op nevenwerkzaamheden (non-compete, non-solicitation, ancillary activities).

Wat verkoop je nu precies?

NIETS! Als je met het voorstel onder punt 1 hiervoor dacht dat jij of jouw holding BV er direct beter van wordt, helaas. In dit voorstel geeft de tussenholding nieuwe aandelen uit aan de investeerder. En de investeerder betaalt dat geld aan …… de tussenholding. Jouw holding BV levert geen aandelen aan de investeerder dus jouw holding BV krijgt ook niets. Wat je wel ‘krijgt’? Een verwatering van jouw holdings belang in de tussenholding van 100% naar 60%, in de hoop dat de waarde van de tussenholding met minstens 67% groeit op termijn (min 40% betekent dat je vanaf 60% weer met 67% moet groeien om uit te komen waar je was).

Investeerders die geld willen stoppen in een onderneming zullen vaak kiezen voor deze route als een onderneming nog uitgebouwd moet worden en daar budget voor nodig is. Voor jou als ondernemer is het goed te beseffen dat dit dus vooral geen cash momentje is. Je staat een belang in je onderneming af in de hoop/verwachting dat met het geld, netwerk en expertise van de investeerder de tussenholding of de werkmaatschappij verder kan groeien naar een marktpositie die opvalt, aandacht trekt en mogelijk zal leiden tot een strategische verkoop over 4 tot 7 jaar.

Grootaandeelhouder en toch geen controle

Je hebt 60% van de aandelen en dus de meerderheid van stemmen in de aandeelhoudersvergadering. Wat een gouden deal! Geld erbij en toch de touwtjes in handen?! Of trekt er nog iemand anders aan de teugels van je paard? Jazeker! Geen weldenkend investeerder geeft alle touwtjes uit handen. Investeerders zorgen ervoor dat zij invloed hebben in de aandeelhoudersvergadering op kritieke beslissingen en ze zorgen ervoor dat jij niet zomaar met de BV kan doen wat jou goeddunkt, dus ook niet met de aandelen van de BV.

Versterkt stemrecht en unanimiteit van stemmen

Vaak wordt de ondernemer aangesteld als bestuurder en als bestuurder kun je de BV veelal leiden zoals je dat zelf wilt. Totdat … je als bestuurder aanloopt tegen dat nare lijstje met beslissingen die via de aandeelhoudersvergadering (de AvA) moeten lopen. Dat lijstje omvat vaak ingrijpende besluiten zoals het uitgeven van nieuwe aandelen, uitkeren van dividend, wijzigen van de statuten, maar ook een kapstokbepaling die paal en perk stelt aan het geld dat jij namens de BV mag uitgeven (“het aangaan van overeenkomsten die een belang van € x.xxx te boven gaan”). Je belegt een AvA en doet het voorstel. De investeerder stemt tegen en daarmee is het voorstel verworpen. Huh? Ja, want in de participatie-/aandeelhoudersovereenkomst staat dat deze besluiten met een versterkte meerderheid van 65% van de stemmen genomen moeten worden. Als de investeerder met 40% tegen stemt, dan kom jij met jouw 60% niet aan die vereiste meerderheid van 65% en dus is het voorstel van tafel. Unanimiteit in de AvA spreekt voor zich.

Of erger nog, je belegt geen AvA en gaat als bestuurder gewoon je gang. Jaren later ontstaat er onenigheid met de investeerder en de investeerder besluit jouw bestuurlijke beslissingen eens langs het nare lijstje te leggen. Dan blijkt dat je diverse AvA’s had moeten beleggen, wat je niet gedaan hebt, en stelt de bestuurder jou aansprakelijk voor de financiële gevolgen van alle beslissingen die je via de AvA had moeten laten lopen. En bij echte herrie zal dan ook snel het boetebeding uit de participatie-/aandeelhoudersovereenkomst ingeroepen worden.

Tag along

Letterlijk aanhaken. Als jij een koper vindt voor de aandelen in je tussenholding dan kan de investeerder via deze bepaling jou verplichten om zijn aandelen (onder dezelfde voorwaarden) mee te nemen in de deal. Wil de koper de aandelen van de investeerder niet, dan komt er geen deal tot stand. Dat lijkt niet zo bezwaarlijk maar menig investeerder bedient zich van een tag along die alleen ten gunste van hemzelf opgesteld is. Dus gebeurt het omgekeerde – de investeerder vindt een koper – dan heb je geen recht om bij zijn deal aan te haken.

Drag along

Letterlijk meeslepen. Als de investeerder een koper vindt dan kan hij via een drag along bepaling jou verplichten om je aandelen (onder dezelfde voorwaarden) mee te verkopen. Dus ook als jij het voorstel van die koper of de koper zelf helemaal niet ziet zitten. En ook hier wordt de drag along vaak eenzijdig opgesteld: de investeerder krijgt het recht jou mee te slepen in zijn deal, maar omgekeerd kun jij de investeerder niet verplichten mee te gaan in een deal die jou aangeboden wordt.

Aanbiedingsplicht

In vrijwel alle statuten van BV’s kom je een blokkeringsregeling tegen in combinatie met een aanbiedingsplicht. Simpel gezegd: een aandeelhouder mag zijn aandelen in een BV niet zomaar verkopen aan een derde (blokkering), maar moet deze eerst aanbieden aan de overige aandeelhouders. De blokkering is er om te voorkomen dat een aandeelhouder zijn aandelen verkoopt en de andere aandeelhouder(s) ineens met een wildvreemde partij in de AvA zitten. De aanbiedingsplicht is er om te zorgen dat in bepaalde gevallen de overige aandeelhouders de gelegenheid krijgen om verder te gaan met de gezamenlijke BV. Immers, stel dat een aandeelhouder komt te overlijden of zijn holding gaat failliet dan wil je afspraken hebben gemaakt over wat er dan met diens aandelen in de gezamenlijke BV moet gebeuren. In de statuten worden vaak maar een beperkt aantal oorzaken genoemd die leiden tot een aanbiedingsplicht.

In de participatie-/aandeelhoudersovereenkomst wordt dat lijstje (de What if bepalingen) vaak een stuk langer gemaakt. Denk aan: verbreking huwelijkse gemeenschap, overdracht van de aandelen van je Holding BV, aanstellen andere bestuurder in je Holding BV, langdurige arbeidsongeschiktheid, opzeggen van de managementovereenkomst tussen je holding en de werkmaatschappij. Niet zelden worden deze What if bepalingen alleen van toepassing verklaard op de ondernemer en/of zijn persoonlijke Holding BV.

Bad leaver

In combinatie met de aanbiedingsplicht kom je deze term tegen als de investeerder jou maar wat graag bindt aan de BV voor een zekere periode. Niet onlogisch, zeker niet in de opbouwfase, maar wat onderteken je nu precies? Aan de term Bad Leaver worden diverse omstandigheden gekoppeld waarin je als slecht vertrekker zult worden aangemerkt, met dito gevolgen voor de prijs die je krijgt voor je aandelen. Denk hierbij aan disfunctioneren als bestuurder, blijvende arbeidsongeschiktheid in de opbouwfase, gedragingen die bij een dienstbetrekking zouden leiden tot ontslag op staande voet, maar vergeet vooral niet: (vrijwillig) vertrek binnen X jaar nadat de overeenkomst getekend is. Als zo’n situatie zich voordoet dan wordt je verplicht je aandelen aan te bieden aan de investeerder en de investeerder betaalt er de laagste van de nominale waarde of de marktwaarde voor.

Non-concurrentie-, non-relatie-, nevenwerkzaamheden en anti-ronselbedingen

Het spreekt voor zich dat je gedurende de samenwerking met de investeerder geen concurrentie aangaat met de gezamenlijke BV, geen relaties van de BV benadert voor leveringen buiten de BV om, je tijd niet steekt in andere ondernemingen dan de BV en geen personeel van de BV ronselt voor andere werkzaamheden dan die van de BV. Wees er echter op bedacht dat deze bedingen doorgaans ook 2 of 3 jaar doorlopen nadat je vertrokken bent als aandeelhouder. En bedenk je vooraf goed of dat wel wenselijk is voor je. Zeker als er een bad leaver clausule in de overeenkomst staat, moet je je afvragen of een non-concurrentiebeding die doorloopt nadat je geen aandeelhouder meer bent, niet te veel broodroof betekent voor je. Datzelfde geldt voor ondernemers die meerdere pannetjes op het vuur hebben staan. Als je een verbod op nevenwerkzaamheden tekent, dan zul je het gas onder de andere pannetjes uit moeten zetten.

Zorg er dus voor dat je de inhoud van degelijke bedingen bespreekt en waar nodig uitzonderingen bedingt en opneemt in de overeenkomst.

Tot slot

Ik hoop je hiermee een leerzaam kijkje in mijn advieskeuken te hebben geboden. Uiteraard is deze column niet volledig. Investeerders, maar ook de ondernemers zelf, kunnen zich van nog veel meer bepalingen dienen, die al dan niet in eigen belang zijn. Tref je een investeerder die met een of meerdere van deze bepalingen komt, schroom dan niet om ze ter discussie te stellen. Je zult het waarschijnlijk niet allemaal in je voordeel kunnen beslechten, maar wees kritisch en stel van tevoren goed vast welke bepalingen voor jou deal breakers horen te zijn.

Zijn investeerders dan boeven? Nee hoor. Ze denken alleen anders over hun belang in jouw onderneming dan jij dat doet. De ene keer begeleid ik de investeerder, de andere keer de ondernemer. De uitdaging is elke keer om te komen tot afspraken waarmee beide partijen tevreden zijn en zich vooral serieus genomen voelen. Niets is demotiverender dan ondernemen met het idee dat je het alleen maar voor een ander doet.

Werknemersparticipatie, personeelsaandelen: blogpost voor de werknemer

De laatste jaren komt in mijn praktijk meer en meer de vraag binnen “Ik kan aandeelhouder worden in de BV van mijn werkgever. Waar moet ik op letten?” Deze blogpost geeft je een eerste inzicht in wat er allemaal komt kijken bij het verwerven van aandelen in de BV van je baas. Ik ga hierbij overigens uit van een onderneming in het MKB waarvan de aandelen in handen zijn van een of meerdere directeuren-grootaandeelhouders.

Waarom iemand aandeelhouder maken?

Voor menig werkgever is dit de laatste jaren de manier geworden om sleutelpersoneel te binden aan zijn/haar onderneming. Talenten en zwaargewichten in hun werkveld zijn gewild en zullen niet zelden benaderd worden door headhunters. Dus dan is een extra binding met je werkgever vaak een sterk argument. Maar wat zit er nu precies in voor jou als werknemer die aandelen verwerft? Laat ik daartoe eerst even je positie als (kleine) aandeelhouder schetsen.

Kleine aandeelhouder

Doorgaans zal aan een werknemer slechts een paar procent of soms 10 tot 15% van de aandelen aangeboden worden. Als je dat aanbod aanneemt, dan heb je:

  • Recht op dat percentage van het dividend;
  • Recht op dat percentage van de verkoopopbrengst van de BV;
  • Een stem in de aandeelhoudersvergadering die meeweegt voor dat percentage (voor zover het stemrecht op jouw aandelen uiteraard niet geblokkeerd of beperkt is, zie hierna).

Besef je dus goed dat jouw stem uitbrengen in de aandeelhoudersvergadering doorgaans weinig tot geen invloed heeft. Houdt dit in gedachten bij het lezen over dividend.

Soorten Aandelen

Zoals ik hiervoor opmerkte, kan het ook zijn dat de rechten die aan de aandelen kleven beperkt zijn of zelfs geheel uitgesloten zijn. Er zijn verschillende soorten aandelen. Alle soorten bespreken gaat het doel van deze blogpost voorbij, dus ik volsta met de meest relevante:

  • Gewone aandelen, dezelfde als de andere aandeelhouders, kennen geen beperkingen t.o.v. de andere aandeelhouders;
  • Stemrechtloze aandelen: je bent wel welkom bij de aandeelhoudersvergadering, maar je hebt geen stem. Jouw aandelen delen alleen in dividend en verkoopwinst.
  • Letteraandelen: series van aandelen zijn gemarkeerd met een letter. In de statuten van de BV worden aan de verschillende series letteraandelen verschillende rechten toegekend. Daardoor kunnen zeer specifieke rechten toegekend of ontnomen worden die je stemrecht kunnen beperken.
  • Certificaten van Aandelen: voor hier volsta ik ermee dat deze in de praktijk vergelijkbaar zijn met stemrechtloze aandelen.

So, what’s in it for me? Dividend en koerswinst aandelen

Het hebben van aandelen levert op zichzelf niets op. Pas als er winst (dividend) uitgekeerd wordt aan de aandeelhouders ontstaat rendement voor een aandeelhouder. Een andere mogelijkheid op winst op de aandelen ontstaat als de aandelen verkocht worden voor meer dan wat je ervoor betaald hebt. Mooi. Of toch niet?

Want dividend wordt alleen uitgekeerd als de Vergadering van Aandeelhouders daartoe besloten heeft. En zoals je hiervoor hebt gelezen, heb jij daar als kleine aandeelhouder vrijwel geen invloed op. Evenmin heb je doorslaggevende invloed op de verkoop van de BV en de verkoopprijs. Zijn dan aandelen verwerven in een BV van je baas een holle verbintenis?

Nee, mits. Mits je naast het verwerven van de aandelen ook afspraken maakt over dividend en eventueel een toekomstig verkoopscenario (exit). Enter de aandeelhoudersovereenkomst.

Aandeelhoudersovereenkomst

De aandeelhoudersovereenkomst is de zakelijke huwelijksakte tussen de aandeelhouders. Hierin worden – naast wat bepaald is in de statuten van de BV – afspraken gemaakt over zaken als: bestuur, beslissingen die via de aandeelhoudersvergadering moeten, verkoop van aandelen (vrijwillig dan wel gedwongen), prijsbepaling van de aandelen, dividendbeleid en uiteraard nog veel meer.

Die afspraken zijn echter optioneel. Sterker nog, een aandeelhoudersovereenkomst is op zichzelf al optioneel. Derhalve 1 gouden tip: aanvaard geen aandelen in een BV zonder aandeelhoudersovereenkomst! Zonder afspraken over dividend en toekomstige exit zit je op de aandelen en ben je overgeleverd aan de keuzes van de grootaandeelhouders.

Dividendbeleid

Liefst maak je dus afspraken over wanneer dividend uitgekeerd wordt (bijvoorbeeld 50% van de winst boven een X bedrag) en onder welke voorwaarden (google maar op uitkeringstest). Dividend kan alleen uitgekeerd worden als er een positieve winstreserve is en de BV na de dividenduitkering aan zijn verplichtingen kan blijven voldoen. Zodoende heb je enige zekerheid dat je aandelen ook daadwerkelijk rendement geven.

Exit scenario

Hetzelfde geldt voor een exit scenario, hoewel dat doorgaans koffiedik kijken is. Je weet immers nooit van tevoren of er een koper komt en wat die koper gaat bieden. Wel kun je de intentie vastleggen dat de aandeelhouders er naar streven om binnen X jaar te komen tot verkoop van de gehele onderneming voor minstens een Y bedrag. Het verplicht niemand tot iets, maar het geeft wel een doelstelling waar naartoe gewerkt kan worden.

En dan komt de fiscus langs

Uiteraard. Met de Belastingdienst moet je rekening houden bij de verwerving van de aandelen, bij ontvangst van dividend, bij de jaarlijkse IB-aangifte en bij verkoop van de aandelen.

De verkrijging

Aandelen die waarde hebben (omdat de onderliggende BV waarde heeft) kun je niet zonder tegenprestatie verkrijgen. Als je niets of te weinig betaalt voor aandelen die waarde hebben dan ligt een aanslag loonheffing in het verschiet omdat je loon in natura hebt genoten. Datzelfde geldt voor de tegenprestatie arbeid. Het komt niet zelden voor dat afgezien wordt van (een deel van het) salaris om zo de verkrijging van de aandelen te bekostigen.

Houd altijd twee zaken in gedachten:

  1. Aandelen verwerven betekent kopen en dat doe je met netto eigen geld. Brutoloon inleveren werkt dus niet, nettoloon inleveren wel.
  2. Zorg dat er een onderbouwing (accountant, fiscalist) is van de waarde van de aandelen en laat die toetsen.

Soortaandelen

Beslissend voor de fiscale behandeling van je aandelen ligt bij het percentage van de aandelen dat je houdt in de BV en welke soort aandelen dat zijn. Daartoe eerst het begrip soortaandelen: aandelen die, in afwijking van gewone aandelen, andere rechten kennen. Letteraandelen en stemrechtloze aandelen zijn doorgaans per definitie soortaandelen. Als er soortaandelen zijn dan wordt gekeken naar het percentage van de soortaandelen dat jij hebt. Zijn er geen soortaandelen dan wordt gekeken naar het percentage van de gewone aandelen.

Minder dan 5% van de (soort)aandelen privébezit

De aandelen vallen voor hun waarde in box 3 van je IB-aangifte. Dat betekent dus dat er jaarlijks een waardering gemaakt moet worden en dat je (boven de vrijstelling) 0,86% tot 1,62% van de waarde aan netto inkomstenbelasting betaalt. Voordeel is dat dividend op de aandelen onbelast is en dat de winst bij verkoop van de aandelen eveneens onbelast is.

Minstens 5% van de (soort)aandelen privébezit

De aandelen vallen in box 2 van je aangifte inkomstenbelasting. Je betaalt dus geen belasting in box 3. Keerzijde is wel dat dividend en verkoopwinst belast zijn met effectief 26,9% (vanaf 2021).

Minder dan 5% van de (soort)aandelen in een eigen Holding BV

De aandelen in de BV van je werkgever kun je ook onderbrengen in een eigen Holding BV. Bij minder dan 5% betekent dat echter wel dat dividend en winst op de aandelen belast worden met Vennootschapsbelasting ad doorgaans 15% (2021). Wil je het geld daarna nog naar privé halen dan volgt weer 26,9% heffing in box 2.

Minstens 5% van de (soort) aandelen in een eigen Holding BV

Houdt jouw Holding BV minstens 5% van de (soort)aandelen dan treedt de deelnemingsvrijstelling in werking. Deze zorgt ervoor dat dividend en verkoopwinst op de aandelen onbelast in je Holding BV komen. Keer je het daarna uit naar privé dan wordt 26,9% geheven via box 2.

 Belastingheffing en de keuze Holding of privé

Als algemene regel kun je aannemen dat belangen van minder dan 5% het best privé gehouden kunnen worden en belangen vanaf 8% het beste via een eigen Holding BV. Er is namelijk een stukje fiscaal niemandsland waar je maar weinig adviseurs over hoort. Ruwweg is dat het gebied tussen 4,9% en 7% van de aandelen.

Als jou tussen 5 en 8% van de aandelen aangeboden wordt dan moet je serieus overwegen of je niet beter 4,9% in privé kunt voorstellen. Die eigen Holding BV (vanwege de deelnemingsvrijstelling vanaf 5%) kent zelf namelijk ook kosten en het extra dividend dat je krijgt uit die 0,1 tot 3% meer aandelen, weegt doorgaans niet tegen die kosten en de belastingheffing in box 2 op.

Let op met Soortaandelen

De vorenstaande grens van 5% is kritiek, dat mag duidelijk zijn. Maar pas extra goed op met soortaandelen. Een voorbeeld: een BV kent 100 letteraandelen A en 100 letteraandelen B. Jou wordt een aanbod gedaan tot verwerving van 6 aandelen B.

Op het totaal van de aandelen heb je 3% (6 op 200) en zou je denken dat je belang daardoor in box 3 valt. Maar je hebt 6% van het soortaandeel letteraandeel B. Dat is beslissend en dus valt jouw belang in de BV ineens in box 2.

Stichting Administratiekantoor (STAK) en Certificaten van aandelen

Deze oplossing wordt vaak aangeboden als de werkgever niet wil dat jij stemrecht hebt in de aandeelhoudersvergadering en jij niet in de knel wilt komen met Soortaandelen en box 2 heffing.

Bij een  STAK worden de stemrechten overgedragen aan een Stichting. Die Stichting heeft als enig doel het stemrecht uitoefenen op de aandelen van de BV. Veelal zullen de grootaandeelhouders plaats nemen in het bestuur van de Stichting en jij dus niet. Zodoende heb je geen stem in de aandeelhoudersvergadering.

Wel krijg je certificaten van aandelen die recht geven op dividend en verkoopwinst.

Het is dus vergelijkbaar met een stemrechtloos aandeel. Echter, Een stemrechtloos aandeel is ook een soortaandeel en dus loop je het risico (zie vorige paragraaf) dat als je 5% of meer van de stemrechtloze aandelen hebt, dat je dan weer in box 2 terecht komt.

Door het certificeren van de aandelen ontstaat geen soortaandeel. Zolang je minder dan 5% van de certificaten houdt, zit je dus in box 3.

SAR’s: Stock Appreciation Rights

Ik benoem het kort, want het komt ook veel voor als alternatief voor aandelen of certificaten, maar in feite heeft het met de verwerving van aandelen niets te maken. Een SAR is een winstdelingsrecht waarvan de opbrengst voor jou afhankelijk is van het bedrijfsresultaat. Pluspunt: je koopt geen SAR dus er is geen koopsom of belastingheffing van toepassing bij de aanvaarding ervan. Nadeel: de opbrengst van een SAR is belast met loonheffing (doorgaans dus bovenop je reguliere salaris).

Tot slot

Hierboven heb je gelezen wat er zoal qua stemrecht, financiële gevolgen en fiscale keuzes op je pad komt. Dat helpt je hopelijk op weg. Maar bedenk je ook goed dat een aandeelhouders- of participatieovereenkomst vaak veel meer bevat dan wat je hier gelezen hebt en zorg ook dat je weet wat je koopt. Klopt de prijs voor de aandelen? Hoe ga je het betalen? Wat weet je van de financiële situatie van de BV? Zijn er verborgen risico’s? Als het juridische en waarderings-lingo je niet eigen is, neem dan gerust contact op.

Ondernemen of ‘Risiconemen’

Ondernemen zonder overeenkomsten is als een haat-liefde-relatie, het gaat niet en als het doorgaat dan gaat het (op termijn) fout. De reden is simpel: onderneem je, dan maak je afspraken en als die afspraken nergens vastliggen dan wordt onder-nemen simpelweg ‘risico-nemen’. Ik hoef sommige van mijn lezers niet te vertellen over de gruwelverhalen die jaar in jaar uit voor de Rechter beslecht worden omdat de vennoten van een ‘VOF-je’ tussen familie, echtelieden of vrienden geen overeenkomst nodig achtten. Blauwe ogen, aannames maken, in goed vertrouwen en meer van dat soort poorten tot de hel der bedrijfsbeëindiging.

Rechters die mogen beoordelen of aandeelhouders en bestuurders in een BV gehandeld hebben in het ‘beste belang van de BV’. Want buiten de statuten van de BV ligt er niets vast.

De Belastingdienst die een kritische blik werpt op een administratief aanwezige schuld die verder nergens vastligt, laat staan dat er enige rente of aflossing betaald is.

Een leverancier die handelt naar eigen inzicht omdat er geen handelsvoorwaarden ter hand zijn gesteld én van toepassing zijn verklaard.

Waarom doen ondernemers dit?

Gemakzucht, misplaatst vertrouwen en misplaatste zuinigheid. Overeenkomsten kosten tijd en geld. Tijd om erover na te denken en te zorgen dat je met je adviseur tot een fraai exemplaar komt waarin jouw belangen beschermd zijn (dus ónder-nemen en niet rísico-nemen) en geld omdat die adviseur ook niet gratis werkt. En soms wil je je compagnon niet voor het hoofd stoten met afspraken (familie, vrienden en partners). Of de overtreffende trap van gemak óf zuinig: gemak EN zuinig. Op google gaan zoeken naar voorbeeldovereenkomsten en dan gaan hakken, breken, snijden, knippen en plakken totdat er een document staat waarvan zelfs sommige Rechters geen pindasaus meer kunnen maken.

De paradox

We maken wel allemaal netjes een opdrachtbevestiging, offerte en een factuur op (de slotsom van een overeenkomst) die we naar onze klanten sturen en we tekenen allemaal een huurovereenkomst of koopovereenkomst voor huisvesting of een nieuw voertuig. Als we even ons best doen dan hanteren we ook leveringsvoorwaarden en passen we die correct toe. Waarom bestaan er dan nog steeds BV-structuren en VOF’s die het zonder afspraken doen tussen de vennoten onderling? Waarom tekenen ondernemers nog steeds participatie-overeenkomsten voor toetreding tot een BV of erger nog, copy-paste-overeenkomsten tot beëindiging van een onderneming, terwijl ze niet echt goed weten wat ze tekenen?

Mijn parochie dus?

Klopt. Ik predik voor eigen parochie omdat ik weet dat ‘mijn parochie’ tegen aanvaardbare kosten veel toekomstig leed (emotioneel, reputatie, economisch en financieel) kan voorkomen. Ik sta dagelijks ondernemers bij die een samenwerking aangaan, die uitgekocht willen worden, die uitgelokt worden, die zich willen inkopen en bovenal, die bescherming zoeken voor hun positie. Ondernemen hoeft niet te komen tot risico-nemen!

Amerikanen zeggen het als je vraagt naar de prijsbepalende factor van een huis: “Location, location, location”.

Wij ondernemen in Nederland. Het land waarin alles tot in de gaatjes vastligt in de wet, behalve voor ondernemers. Voor mij geldt:

Overeenkomst, overeenkomst, overeenkomst.

En dan wel een die je begrijpt en een die recht doet aan jouw positie.